2. Woordenschat (10)

De achternaam

De achternaam Show

The last name Show

De naam

De naam Show

The name Show

De voornaam

De voornaam Show

The first name Show

De meneer

De meneer Show

The gentleman; Mr. Show

De mevrouw

De mevrouw Show

The lady; Mrs./Ms. Show

De jongen

De jongen Show

The boy Show

Het meisje

Het meisje Show

The girl Show

Zich voorstellen

Zich voorstellen Show

To introduce oneself; to imagine Show

Heten

Heten Show

To be called Show

Zeggen

Zeggen Show

To say Show

3. Grammatica

Belangrijk werkwoord

Heten (heten)

Belangrijk werkwoord

Zeggen (zeggen)

4. Oefeningen

Oefening 1: Zinnen herschikken

Instructie: Maak correcte zinnen.

Toon antwoorden
1.
Vries. | De Vries, | Goedemorgen, ik | ik heet | ben meneer | Mark De
Goedemorgen, ik ben meneer De Vries, ik heet Mark De Vries.
2.
achternaam is | De Vries. | Mijn voornaam | en mijn | is Mark
Mijn voornaam is Mark en mijn achternaam is De Vries.
3.
collega hier. | Ik stel me | ben Mark, ik | even voor: ik | ben de nieuwe
Ik stel me even voor: ik ben Mark, ik ben de nieuwe collega hier.
4.
u, | Hoe | mevrouw? | heet
Hoe heet u, mevrouw?
5.
en achternaam | zeggen, alstublieft? | uw voornaam | Kunt u
Kunt u uw voornaam en achternaam zeggen, alstublieft?
6.
hun naam? | en dat | meisje daar, | die jongen | wat is | Wie is
Wie is die jongen en dat meisje daar, wat is hun naam?

Oefening 2: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Ik ___ Mark en ik zeg mijn voornaam langzaam voor de docent.


2. Deze meneer ___ De Vries en hij zegt zijn achternaam met een duidelijke V.


3. Hoe ___ u, meneer? Kunt u uw naam langzaam zeggen voor het formulier?


4. Ik ___: hallo, ik ben Sanne en dit meisje heet Noor.


Oefening 3: Gesprekskaarten

Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 4: Reageer op de situatie

Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.

1. Je bent op je nieuwe werk. Een collega stelt jou voor aan een meneer van een ander team. Stel jezelf voor en zeg hoe je heet. (Gebruik: De voornaam, De achternaam, heten)

Mijn voornaam is    

Voorbeeld:

Mijn voornaam is Anna en mijn achternaam is Jansen.

2. Je hebt een afspraak bij de tandarts. Bij de balie vraagt de mevrouw naar je naam. Antwoord en zeg duidelijk je voornaam en achternaam. (Gebruik: De naam, heten, De mevrouw)

Mijn naam is    

Voorbeeld:

Mijn naam is Anna Jansen. Ik heb een afspraak om tien uur bij de mevrouw van de balie.

3. Je ontmoet een nieuwe buurman voor de deur. Je groet hem en vraagt hoe hij heet. (Gebruik: Hallo, De meneer, heten)

Hallo meneer,    

Voorbeeld:

Hallo meneer, ik ben Anna. Hoe heet u?

4. Je bent op een cursus Nederlands. Naast jou zit een jong meisje dat je nog niet kent. Stel jezelf kort voor en vraag naar haar naam. (Gebruik: Het meisje, voornaam, achternaam, heten)

Hoi, ik ben    

Voorbeeld:

Hoi, ik ben Anna. Hoe heet het meisje? Wat is jouw voornaam?

Oefening 5: Schrijfopdracht

Instructie: Schrijf 3 of 4 korte zinnen waarin u zich voorstelt bij een eerste afspraak bij de huisarts (noem uw naam, uw aanhef en dat u nieuw bent).

Nuttige uitdrukkingen:

Ik ben ... / Mijn naam is ... / Ik heet ... / Ik ben meneer / mevrouw ...

Oefening 6: Gespreksoefening

Instructie:

  1. Zeg de volledige naam en de achternaam van elke persoon. (Noem de volledige naam en de achternaam van elke persoon.)
  2. Speel een dialoog waarin je iemand naar hun naam vraagt en jezelf voorstelt. (Speel een dialoog waarin je iemand naar hun naam vraagt en jezelf voorstelt.)

Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten

Voorbeeldzinnen:

De achternaam van Heidi is Schulz.

De bijnaam van Heidi is Abuelita.

Hoe heet je?

Mijn naam is Sofia.

Mijn volledige naam is Sofia Rossi.

...