1. Taalonderdompeling
A1.2.1 Activiteit
In een online conversatieles van coLanguage
3. Grammatica
A1.2.2 Grammatica
Het alfabet en de uitspraak
Belangrijk werkwoord
Heten (heten)
Belangrijk werkwoord
Zeggen (zeggen)
4. Oefeningen
Oefening 1: Zinnen herschikken
Instructie: Maak correcte zinnen.
Oefening 2: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. Ik ___ Mark en ik zeg mijn voornaam langzaam voor de docent.
2. Deze meneer ___ De Vries en hij zegt zijn achternaam met een duidelijke V.
3. Hoe ___ u, meneer? Kunt u uw naam langzaam zeggen voor het formulier?
4. Ik ___: hallo, ik ben Sanne en dit meisje heet Noor.
Oefening 3: Gesprekskaarten
Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Oefening 4: Reageer op de situatie
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
1. Je bent op je nieuwe werk. Een collega stelt jou voor aan een meneer van een ander team. Stel jezelf voor en zeg hoe je heet. (Gebruik: De voornaam, De achternaam, heten)
Mijn voornaam is
Voorbeeld:
Mijn voornaam is Anna en mijn achternaam is Jansen.
2. Je hebt een afspraak bij de tandarts. Bij de balie vraagt de mevrouw naar je naam. Antwoord en zeg duidelijk je voornaam en achternaam. (Gebruik: De naam, heten, De mevrouw)
Mijn naam is
Voorbeeld:
Mijn naam is Anna Jansen. Ik heb een afspraak om tien uur bij de mevrouw van de balie.
3. Je ontmoet een nieuwe buurman voor de deur. Je groet hem en vraagt hoe hij heet. (Gebruik: Hallo, De meneer, heten)
Hallo meneer,
Voorbeeld:
Hallo meneer, ik ben Anna. Hoe heet u?
4. Je bent op een cursus Nederlands. Naast jou zit een jong meisje dat je nog niet kent. Stel jezelf kort voor en vraag naar haar naam. (Gebruik: Het meisje, voornaam, achternaam, heten)
Hoi, ik ben
Voorbeeld:
Hoi, ik ben Anna. Hoe heet het meisje? Wat is jouw voornaam?
Oefening 5: Schrijfopdracht
Instructie: Schrijf 3 of 4 korte zinnen waarin u zich voorstelt bij een eerste afspraak bij de huisarts (noem uw naam, uw aanhef en dat u nieuw bent).
Nuttige uitdrukkingen:
Ik ben ... / Mijn naam is ... / Ik heet ... / Ik ben meneer / mevrouw ...
Oefening 6: Gespreksoefening
Instructie:
- Zeg de volledige naam en de achternaam van elke persoon. (Noem de volledige naam en de achternaam van elke persoon.)
- Speel een dialoog waarin je iemand naar hun naam vraagt en jezelf voorstelt. (Speel een dialoog waarin je iemand naar hun naam vraagt en jezelf voorstelt.)
Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten