A1.26 - Zintuigen en waarnemen
Zintuigen en waarnemen
1. Taalonderdompeling
A1.26.1 Activiteit
Onwaarschijnlijke feiten
3. Grammatica
A1.26.2 Grammatica
Trappen van vergelijking
Belangrijk werkwoord
Zien (zien)
Belangrijk werkwoord
Ruiken (ruiken)
Belangrijk werkwoord
Horen (horen)
4. Oefeningen
Oefening 1: Writing correspondence
Instructie: Write a reply to the following message appropriate to the situation
WhatsApp: Je krijgt een WhatsApp-bericht van je Nederlandse collega Lotte over een etentje in een nieuw restaurant; antwoord haar bericht en reageer op haar vragen.
Lotte:
Hoi! 😊
Wil je vrijdag mee eten bij het nieuwe restaurant bij het station?
Het eten daar is heel lekker, vooral de soep. Die is zoeter dan in de kantine. De muziek is niet hard, het is vrij stil daar.Ik vind de curry een beetje pikant en zout, maar de salade is fris en zacht van smaak.
Heb jij liever eten dat zout of zoet is? En vind jij het fijn als het stil is in een restaurant, of juist druk?
Groetjes,
Lotte
Lotte:
Hoi! 😊
Wil je vrijdag mee eten bij het nieuwe restaurant bij het station?
Het eten daar is heel lekker, vooral de soep. Die is zoeter dan in de kantine. De muziek is niet hard, het is vrij stil daar.Ik vind de curry een beetje pikant en zout, maar de salade is fris en zacht van smaak.
Heb jij liever eten dat zout of zoet is? En vind jij het fijn als het stil is in een restaurant, of juist druk?
Groetjes,
Lotte
Begrijp de tekst:
-
Wat zegt Lotte over de soep en de curry in het restaurant?
-
Wat wil Lotte van jou weten over eten en over het restaurant?
Nuttige zinnen:
-
Bedankt voor je bericht.
-
Ik kom graag mee, want...
-
Ik heb liever … dan …
Bedankt voor je bericht. Ik kom graag mee op vrijdag.
Ik heb liever eten dat zoet is dan zout. Ik vind heel zout eten niet zo lekker. Pikant eten vind ik een beetje moeilijk.
In een restaurant heb ik liever dat het stil is. Dan kan ik goed praten en luisteren. Een heel druk restaurant vind ik niet fijn.
Groetjes,
[Je naam]
Oefening 2: Een woord matchen
Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.
Oefening 3: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. In dit restaurant ___ ik dat het licht helderder is dan in het café naast ons.
2. Als ik thuis ben, ___ ik het harde geluid van de tram voor mijn raam.
3. In deze parfumerie ___ ik meer geuren dan in die kleine winkel op de hoek.
4. In de bioscoop ___ je de film beter dan thuis, maar ik ___ minder licht dan in mijn woonkamer.
Oefening 4: Gesprekskaarten
Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Koffie proeven in de kantine
Collega Mark: Show Hmm, deze koffie is best bitter, hè?
Collega Sara: Show Ja, hij is bitter en een beetje zuur, ik vind het niet zo lekker.
Collega Mark: Show De koffie beneden in het café is zoet en zacht, die is veel beter.
Collega Sara: Show Klopt, daar proef je echt goede koffie, die neem ik liever.
Open vragen:
1. Vind jij koffie lekker of vies? Waarom?
2. Wat drink jij meestal op je werk?
Kaasje proeven op de markt
Kaasverkoper: Show Hier, proef maar: deze kaas is zacht en niet zo zout.
Klant Anna: Show Ja, deze is lekker, heel zacht van smaak.
Kaasverkoper: Show Deze andere is harder en veel zouter, hoor je dat verschil als je erop bijt?
Klant Anna: Show Ja, hij klinkt hard en smaakt ook erg zout, die eerste kaas vind ik lekkerder.
Open vragen:
1. Welke smaken vind jij lekker: zoet, zout, zuur of bitter?
2. Wat proef jij graag op de markt of in de supermarkt?
Oefening 5: Reageer op de situatie
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
1. Je bent met collega’s in een café. De muziek is erg hard en je wilt rustig praten. Zeg dat het geluid te hard is en vraag of de muziek zachter kan. (Gebruik: het geluid, hard, zacht)
Het geluid is
Voorbeeld:
Het geluid is te hard. Kunt u de muziek zacht zetten, alstublieft?
2. Je proeft een nieuw gerecht in de bedrijfskantine. Je collega vraagt: ‘En, hoe is het?’ Zeg of het lekker is en beschrijf de smaak. (Gebruik: lekker, vies, zoet, zout)
Ik vind het
Voorbeeld:
Ik vind het lekker. Het is een beetje zout, maar dat is oké.
3. Je bent in de supermarkt en zoekt kaas, maar je wilt eerst ruiken. Vraag aan de medewerker of je de kaas even mag ruiken en zeg wat je van de geur vindt. (Gebruik: ruiken, de geur, lekker, vies)
Mag ik even
Voorbeeld:
Mag ik even aan de kaas ruiken? De geur is lekker, ik neem deze kaas.
4. Je bezoekt een nieuw appartement met een makelaar. Het is winter en binnen is het donker. Zeg wat je ziet en of je het te donker of juist helder vindt. (Gebruik: zien, donker, helder)
Ik vind het
Voorbeeld:
Ik vind het hier donker. Ik zie weinig licht in de woonkamer.
Oefening 6: Schrijfopdracht
Instructie: Schrijf 5 of 6 zinnen over een café of restaurant dat jij kent. Beschrijf wat je daar ziet, hoort, ruikt of proeft en wat je er prettig of minder prettig aan vindt.
Nuttige uitdrukkingen:
Ik vind het eten/drinken … / De sfeer is … dan in … / Ik hoor/ruik/proef … / Voor mij is dit café/restaurant het …
Oefening 7: Gespreksoefening
Instructie:
- Beschrijf het tegenovergestelde in de afbeeldingen met vergelijkingen (meer dan, evenveel als, minder dan). (Beschrijf de tegenstelling in de afbeeldingen met vergelijkingen (meer dan, zo ... als, minder dan).)
- Creëer een dialoog waarin voorkeuren worden gevraagd: zoet of zout voedsel, zoete of bittere dranken, enzovoort. (Maak een dialoog waarin voorkeuren worden gevraagd: zoet of zout eten, zoete of bittere dranken, enzovoort.)
Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten
Instructies voor de leraar
- Lees de voorbeeldzinnen hardop voor.
- Beantwoord de vragen over de afbeelding.
- Studenten kunnen deze oefening ook als geschreven tekst voor de volgende les voorbereiden.
Voorbeeldzinnen:
|
Koffie is bitterder dan thee. |
|
Een appel is harder dan een banaan. |
|
Bloemen ruiken beter dan sokken. |
|
Zout voedsel smaakt net zo goed als zoet voedsel. |
|
Heb je liever de geur van koffie of thee? |
|
Ik geef de voorkeur aan de bittere geur van koffie. |
| ... |