1. Taalonderdompeling

2. Woordenschat (17)

Het geluid

Het geluid Show

Het geluid Show

De stilte

De stilte Show

De stilte Show

Zien

Zien Show

Zien Show

Horen

Horen Show

Horen Show

Ruiken

Ruiken Show

Ruiken Show

Proeven

Proeven Show

Proeven Show

Voelen

Voelen Show

Voelen Show

Helder

Helder Show

Helder Show

Donker

Donker Show

Donker Show

Hard

Hard Show

Hard Show

Zacht

Zacht Show

Zacht Show

Lekker

Lekker Show

Lekker Show

Vies

Vies Show

Vies Show

Bitter

Bitter Show

Bitter Show

Zoet

Zoet Show

Zoet Show

Zout

Zout Show

Zout Show

Zuur

Zuur Show

Zuur Show

3. Grammatica

Belangrijk werkwoord

Zien (zien)

Belangrijk werkwoord

Ruiken (ruiken)

Belangrijk werkwoord

Horen (horen)

4. Oefeningen

Oefening 1: Writing correspondence

Instructie: Write a reply to the following message appropriate to the situation

WhatsApp: Je krijgt een WhatsApp-bericht van je Nederlandse collega Lotte over een etentje in een nieuw restaurant; antwoord haar bericht en reageer op haar vragen.


Lotte:

Hoi! 😊

Wil je vrijdag mee eten bij het nieuwe restaurant bij het station?
Het eten daar is heel lekker, vooral de soep. Die is zoeter dan in de kantine. De muziek is niet hard, het is vrij stil daar.

Ik vind de curry een beetje pikant en zout, maar de salade is fris en zacht van smaak.

Heb jij liever eten dat zout of zoet is? En vind jij het fijn als het stil is in een restaurant, of juist druk?

Groetjes,
Lotte


Lotte:

Hoi! 😊

Wil je vrijdag mee eten bij het nieuwe restaurant bij het station?
Het eten daar is heel lekker, vooral de soep. Die is zoeter dan in de kantine. De muziek is niet hard, het is vrij stil daar.

Ik vind de curry een beetje pikant en zout, maar de salade is fris en zacht van smaak.

Heb jij liever eten dat zout of zoet is? En vind jij het fijn als het stil is in een restaurant, of juist druk?

Groetjes,
Lotte


Begrijp de tekst:

  1. Wat zegt Lotte over de soep en de curry in het restaurant?

  2. Wat wil Lotte van jou weten over eten en over het restaurant?

Nuttige zinnen:

  1. Bedankt voor je bericht.

  2. Ik kom graag mee, want...

  3. Ik heb liever … dan …

Hoi Lotte,

Bedankt voor je bericht. Ik kom graag mee op vrijdag.

Ik heb liever eten dat zoet is dan zout. Ik vind heel zout eten niet zo lekker. Pikant eten vind ik een beetje moeilijk.

In een restaurant heb ik liever dat het stil is. Dan kan ik goed praten en luisteren. Een heel druk restaurant vind ik niet fijn.

Groetjes,
[Je naam]

Oefening 2: Een woord matchen

Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.

In dit café is het te hard voor een gesprek.
Deze kamer is donkerder dan de woonkamer.
De soep ruikt lekker, maar hij smaakt zout.
Ik hoor niets, het is helemaal stil.

Oefening 3: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. In dit restaurant ___ ik dat het licht helderder is dan in het café naast ons.


2. Als ik thuis ben, ___ ik het harde geluid van de tram voor mijn raam.


3. In deze parfumerie ___ ik meer geuren dan in die kleine winkel op de hoek.


4. In de bioscoop ___ je de film beter dan thuis, maar ik ___ minder licht dan in mijn woonkamer.


Oefening 4: Gesprekskaarten

Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 5: Reageer op de situatie

Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.

1. Je bent met collega’s in een café. De muziek is erg hard en je wilt rustig praten. Zeg dat het geluid te hard is en vraag of de muziek zachter kan. (Gebruik: het geluid, hard, zacht)

Het geluid is  

Voorbeeld:

Het geluid is te hard. Kunt u de muziek zacht zetten, alstublieft?

2. Je proeft een nieuw gerecht in de bedrijfskantine. Je collega vraagt: ‘En, hoe is het?’ Zeg of het lekker is en beschrijf de smaak. (Gebruik: lekker, vies, zoet, zout)

Ik vind het  

Voorbeeld:

Ik vind het lekker. Het is een beetje zout, maar dat is oké.

3. Je bent in de supermarkt en zoekt kaas, maar je wilt eerst ruiken. Vraag aan de medewerker of je de kaas even mag ruiken en zeg wat je van de geur vindt. (Gebruik: ruiken, de geur, lekker, vies)

Mag ik even  

Voorbeeld:

Mag ik even aan de kaas ruiken? De geur is lekker, ik neem deze kaas.

4. Je bezoekt een nieuw appartement met een makelaar. Het is winter en binnen is het donker. Zeg wat je ziet en of je het te donker of juist helder vindt. (Gebruik: zien, donker, helder)

Ik vind het  

Voorbeeld:

Ik vind het hier donker. Ik zie weinig licht in de woonkamer.

Oefening 6: Schrijfopdracht

Instructie: Schrijf 5 of 6 zinnen over een café of restaurant dat jij kent. Beschrijf wat je daar ziet, hoort, ruikt of proeft en wat je er prettig of minder prettig aan vindt.

Nuttige uitdrukkingen:

Ik vind het eten/drinken … / De sfeer is … dan in … / Ik hoor/ruik/proef … / Voor mij is dit café/restaurant het …

Oefening 7: Gespreksoefening

Instructie:

  1. Beschrijf het tegenovergestelde in de afbeeldingen met vergelijkingen (meer dan, evenveel als, minder dan). (Beschrijf de tegenstelling in de afbeeldingen met vergelijkingen (meer dan, zo ... als, minder dan).)
  2. Creëer een dialoog waarin voorkeuren worden gevraagd: zoet of zout voedsel, zoete of bittere dranken, enzovoort. (Maak een dialoog waarin voorkeuren worden gevraagd: zoet of zout eten, zoete of bittere dranken, enzovoort.)

Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten

Voorbeeldzinnen:

Koffie is bitterder dan thee.

Een appel is harder dan een banaan.

Bloemen ruiken beter dan sokken.

Zout voedsel smaakt net zo goed als zoet voedsel.

Heb je liever de geur van koffie of thee?

Ik geef de voorkeur aan de bittere geur van koffie.

...