A1.25 - Emoties en gevoelens
Emoties en gevoelens
1. Taalonderdompeling
A1.25.1 Activiteit
Groepstherapie bij de koffiemachine
3. Grammatica
A1.25.2 Grammatica
Voorzetsels Om, door, aan, naar, met,...
Belangrijk werkwoord
Lachen (lachen)
Belangrijk werkwoord
Zich voelen (zich voelen)
4. Oefeningen
Oefening 1: Examenvoorbereiding
Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder
Medewerkerstevredenheid bij kantoor BrightMind
Woorden om te gebruiken: slecht, goed, rustig, voelen, bang, boos, blij, zenuwachtig, gelukkig, verdrietig
(Medewerkerstevredenheid bij kantoor BrightMind)
Bij kantoor BrightMind is er elke maand een korte online vragenlijst. De directie wil weten hoe de medewerkers zich op het werk. In de vragenlijst staat: “Voel je je vaak of op kantoor? Ben je soms om deadlines? Ben je voor vergaderingen? Voel je je na de lunchpauze?” De medewerkers kunnen ook extra opmerkingen schrijven.
Na de laatste vragenlijst schrijft de directie een korte e-mail. Daarin staat: “Veel collega’s voelen zich , maar een paar mensen voelen zich en zijn voor fouten. We willen dat iedereen zich veilig voelt. Praat met je teamleider als je niet bent. Samen zoeken we een oplossing. Je werk is belangrijk, maar jij bent belangrijker.”
-
Hoe voelen veel collega’s zich volgens de e-mail, en hoe voelt een klein deel van de collega’s zich?
-
Wanneer ben jij op je werk blij of rustig, en wanneer misschien boos of zenuwachtig?
-
Met wie kun je praten als jij je niet goed voelt op je werk, en waarom is dat belangrijk?
Oefening 2: Een woord matchen
Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.
Oefening 3: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. Ik ___ om de grap van mijn collega, want ik ben blij.
2. Op mijn eerste werkdag ___ ik me zenuwachtig door de nieuwe mensen.
3. Mijn manager ___ zich rustig door de goede voorbereiding van de vergadering.
4. In de pauze ___ we met elkaar om een grappige video.
Oefening 4: Gesprekskaarten
Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Collega vraagt naar je gevoel
Collega Mark: Show Je ziet er een beetje moe uit, hoe voel je je vandaag?
Jij: Show Ik voel me een beetje slecht, ik ben zenuwachtig voor de meeting.
Collega Mark: Show Oh ja, die meeting, ik was ook bang, maar nu voel ik me rustig.
Jij: Show Fijn om te horen, nu ben ik al een beetje blijer.
Open vragen:
1. Hoe voel jij je meestal op maandag op je werk?
2. Wanneer voel jij je blij op je werk?
Partner komt gestrest thuis
Partner Sara: Show Pfff, ik voel me echt boos, het was zo’n saaie en slechte dag op kantoor.
Jij: Show Wat jammer, ik voel me vandaag juist rustig en best wel gelukkig.
Partner Sara: Show Mooi, jouw glimlach helpt, ik moet al een beetje lachen nu.
Jij: Show Kom, we drinken een thee samen, dan voel jij je misschien beter.
Open vragen:
1. Wat doe jij als je je boos voelt?
2. Wanneer voel jij je rustig thuis?
Oefening 5: Reageer op de situatie
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
1. Je hebt een belangrijke presentatie op je werk. Een collega vraagt: “Hoe gaat het met je? Ben je klaar?” Antwoord eerlijk en zeg dat je een beetje bang bent. (Gebruik: bang, een beetje, presentatie)
Ik ben
Voorbeeld:
Ik ben een beetje bang voor de presentatie.
2. Je zit op een terras met vrienden na het werk. Het is mooi weer en je hebt net goed nieuws gekregen. Een vriend vraagt: “Hoe voel je je?” Vertel dat je blij bent. (Gebruik: blij, vandaag, goed nieuws)
Ik voel me
Voorbeeld:
Ik voel me heel blij vandaag, ik heb goed nieuws.
3. Je collega kijkt stil en praat weinig in de pauze. Een andere collega vraagt jou: “Hoe is het met haar?” Zeg dat je denkt dat zij verdrietig is. (Gebruik: verdrietig, ik denk, pauze)
Ik denk dat
Voorbeeld:
Ik denk dat zij verdrietig is in de pauze.
4. Je komt thuis na een drukke werkdag. Je partner vraagt: “Hoe voel je je nu?” Leg uit dat je je rustig voelt. (Gebruik: rustig, thuis, nu)
Nu voel ik me
Voorbeeld:
Nu voel ik me rustig thuis.
Oefening 6: Schrijfopdracht
Instructie: Schrijf 4 of 5 zinnen over hoe jij je meestal voelt op je werk of op school en wat jou blij, boos, bang of rustig maakt.
Nuttige uitdrukkingen:
Ik voel me (vaak / soms / vandaag) ... / Op mijn werk ben ik blij als ... / Ik ben zenuwachtig voor ... / Ik word boos om ...
Oefening 7: Gespreksoefening
Instructie:
- Wat is de emotie in elke afbeelding? (Wat is de emotie in elke afbeelding?)
- Beschrijf drie emoties die je deze week hebt gevoeld en waarom. (Beschrijf drie emoties die je deze week hebt gevoeld en waarom.)
Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten
Instructies voor de leraar
- Lees de voorbeeldzinnen hardop voor.
- Beantwoord de vragen over de afbeelding.
- Studenten kunnen deze oefening ook als geschreven tekst voor de volgende les voorbereiden.
Voorbeeldzinnen:
|
De jongen op de eerste foto is blij. |
|
Het meisje voelt zich moe. |
|
Zij is erg boos. |
|
Hoe voel je je? |
|
Ik ben rustig en gelukkig. |
|
Ik ben een beetje moe. |
| ... |