A1.28 - Karakter en persoonlijkheid
Karakter en persoonlijkheid
1. Taalonderdompeling
A1.28.1 Activiteit
Op zoek naar een nieuwe collega
3. Grammatica
A1.28.2 Grammatica
Negatie
Belangrijk werkwoord
Ontmoeten (ontmoeten)
4. Oefeningen
Oefening 1: Writing correspondence
Instructie: Write a reply to the following message appropriate to the situation
E-mail: Je krijgt een e-mail van je teamleider over het zoeken naar een nieuwe collega. Reageer met jouw mening: welk type persoon past goed in ons team?
Beste collega,
Zoals je weet stopt Tim deze maand bij ons team. We zoeken nu een nieuwe collega.
Ik hoor graag jouw mening: wat voor karakter past goed in ons team?
Moet de persoon heel open zijn, of maakt dat niet uit?
Vind je een vriendelijke collega belangrijk?
Wat werkt beter: iemand rustig en een beetje verlegen, of iemand heel actief?Schrijf alsjeblieft kort wat jij belangrijk vindt.
Met vriendelijke groet,
Sanne
Teamleider
Beste collega,
Zoals je weet stopt Tim deze maand bij ons team. We zoeken nu een nieuwe collega.
Ik hoor graag jouw mening: wat voor karakter past goed in ons team?
Moet de persoon heel open zijn, of maakt dat niet uit?
Vind je een vriendelijke collega belangrijk?
Wat werkt beter: iemand rustig en een beetje verlegen, of iemand heel actief?Schrijf alsjeblieft kort wat jij belangrijk vindt.
Met vriendelijke groet,
Sanne
Teamleider
Begrijp de tekst:
-
Waarom schrijft Sanne deze e-mail aan jou?
-
Welke vragen stelt Sanne over het karakter van de nieuwe collega?
Nuttige zinnen:
-
Ik vind een collega belangrijk die …
-
De persoon moet … zijn, maar niet …
-
Een goede collega is … en niet …
Dank je voor je e-mail. Voor mij is een vriendelijke collega heel belangrijk. De nieuwe collega moet eerlijk en open zijn. Ik wil graag iemand die actief werkt en niet lui is. Een beetje verlegen is oké, maar niet gesloten of onvriendelijk.
Met vriendelijke groet,
[voornaam]
Oefening 2: Een woord matchen
Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.
Oefening 3: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. Ik ___ mijn nieuwe, heel vriendelijke collega vandaag.
2. Morgen ___ wij de manager, hij is niet erg open.
3. ___ jij vaak nieuwe mensen op je werk, of ben je geen open persoon?
4. Mijn collega’s zijn heel vriendelijk, maar ik ___ geen nieuwe mensen op andere afdelingen.
Oefening 4: Gesprekskaarten
Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Nieuwe collega op kantoor
Sara, nieuwe collega: Show Hoi, ik ben Sara, de nieuwe collega. Ik ben redelijk open en eerlijk.
Mark, collega: Show Leuk je te ontmoeten, Sara. Ik vind vriendelijke en eerlijke mensen fijn in het team.
Sara, nieuwe collega: Show Mijn vorige baas was soms onvriendelijk, dat vond ik lastig.
Mark, collega: Show Hier zijn de meeste mensen heel vriendelijk, maar één collega is soms wat gesloten en verlegen.
Open vragen:
1. Hoe beschrijft Sara zichzelf? Gebruik één woord uit de tekst.
2. Noem twee woorden die jij zou gebruiken om een goede collega te beschrijven.
Ouders over de nieuwe oppas
Lotte, moeder: Show Ik wil een oppas die vriendelijk en eerlijk is voor Emma.
Jeroen, vader: Show Ja, en ook niet lui; onze vorige oppas was soms te lui en maakte fouten bij het huiswerk.
Lotte, moeder: Show Deze nieuwe oppas lijkt slim, maar hij is een beetje verlegen.
Jeroen, vader: Show Verlegen is prima, als hij maar open is en ons vertelt als er een probleem is.
Open vragen:
1. Welke eigenschappen vindt Lotte belangrijk voor de oppas?
2. Beschrijf kort de oppas van jouw kind of van een kennis: noem twee woorden.
Oefening 5: Reageer op de situatie
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
1. Je hebt een nieuwe collega op het werk. Je manager vraagt: "Hoe is hij als persoon?" Beschrijf hem kort. (Gebruik: eerlijk, op het werk, ik vind hem...)
Ik vind hem
Voorbeeld:
Ik vind hem eerlijk. Hij zegt altijd wat hij denkt op het werk.
2. Je buren organiseren een buurtborrel. Jij stelt een nieuwe buurvrouw voor aan de groep. Zeg kort hoe zij is. (Gebruik: vriendelijk, hallo zeggen, lachen)
Zij is heel
Voorbeeld:
Zij is heel vriendelijk. Ze zegt altijd hallo en lacht veel.
3. Je hebt een korte online vergadering met een klant. Na de meeting vraagt een collega: "Hoe is de klant?" Beschrijf de klant kort. (Gebruik: open, praten, vragen stellen)
De klant is
Voorbeeld:
De klant is heel open. Hij praat veel en stelt veel vragen.
4. Je zit in een sollicitatiegesprek voor een nieuwe baan. De werkgever vraagt: "Hoe ben jij als persoon op het werk?" Leg kort uit. (Gebruik: slim, leren, problemen oplossen)
Ik ben
Voorbeeld:
Ik ben slim. Ik leer snel en ik los problemen goed op.
Oefening 6: Schrijfopdracht
Instructie: Schrijf 4 of 5 zinnen over jezelf als collega: wat voor karakter heb je op je werk?
Nuttige uitdrukkingen:
Ik ben een betrouwbare collega. / Op mijn werk ben ik meestal vriendelijk. / Ik ben niet verlegen, maar wel rustig. / Mijn collega1s zeggen dat ik goed samenwerk.
Oefening 7: Gespreksoefening
Instructie:
- Beschrijf en vergelijk de mensen. (Beschrijf en vergelijk de mensen.)
- Beschrijf je eigen karakter. (Beschrijf je eigen karakter.)
Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten
Instructies voor de leraar
- Lees de voorbeeldzinnen hardop voor.
- Beantwoord de vragen over de afbeelding.
- Studenten kunnen deze oefening ook als geschreven tekst voor de volgende les voorbereiden.
Voorbeeldzinnen:
|
Juliette en Lukas zijn een liefdevol stel. |
|
Raúl is de meest gesloten persoon. Hij is introvert. |
|
Caitlin is niet sportief; ze is de minst actieve persoon. |
|
Paula en Giulia zijn erg extravert. |
|
Charlotte is verlegen. |
|
Peter is de meest actieve persoon. |
|
Ik kan verlegen zijn als ik de mensen niet ken. |
| ... |