2. Vocabulaire (10)

Eerlijk

Eerlijk Montrer

Honnête Montrer

Vriendelijk

Vriendelijk Montrer

Amical Montrer

Onvriendelijk

Onvriendelijk Montrer

Méchant Montrer

Gesloten

Gesloten Montrer

Introverti Montrer

Verlegen

Verlegen Montrer

Timide Montrer

Slim

Slim Montrer

Intelligent Montrer

Lui

Lui Montrer

Paresseux Montrer

Ontmoeten

Ontmoeten Montrer

Rencontrer Montrer

4. Exercices

Exercice 1: Rédiger de la correspondance

Instruction: Rédigez une réponse au message suivant appropriée à la situation

E-mail: Tu reçois un e-mail de ton responsable d'équipe au sujet de la recherche d'un nouveau collègue. Réponds avec ton avis : quel type de personne conviendrait bien dans notre équipe ?


Beste collega,

Zoals je weet stopt Tim deze maand bij ons team. We zoeken nu een nieuwe collega.

Ik hoor graag jouw mening: wat voor karakter past goed in ons team?
Moet de persoon heel open zijn, of maakt dat niet uit?
Vind je een vriendelijke collega belangrijk?
Wat werkt beter: iemand rustig en een beetje verlegen, of iemand heel actief?

Schrijf alsjeblieft kort wat jij belangrijk vindt.

Met vriendelijke groet,
Sanne
Teamleider


Bonjour collègue,

Comme vous le savez, Tim quitte notre équipe ce mois-ci. Nous cherchons maintenant un nouveau collègue.

J'aimerais connaître votre avis : quel type de caractère conviendrait bien dans notre équipe ?
La personne doit-elle être très ouverte, ou cela n'a-t-il pas d'importance ?
Pensez-vous qu'un collègue sympathique soit important ?
Qu'est-ce qui fonctionne mieux : quelqu'un de calme et un peu timide, ou quelqu'un de très actif ?

Écrivez, s'il vous plaît, brièvement ce que vous jugez important.

Cordialement,
Sanne
Cheffe d'équipe


Comprendre le texte:

  1. Waarom schrijft Sanne deze e-mail aan jou?

    (Pourquoi Sanne vous écrit-elle cet e-mail ?)

  2. Welke vragen stelt Sanne over het karakter van de nieuwe collega?

    (Quelles questions Sanne pose-t-elle au sujet du caractère du nouveau collègue ?)

Phrases utiles:

  1. Ik vind een collega belangrijk die …

    (Je trouve important qu'un collègue soit …)

  2. De persoon moet … zijn, maar niet …

    (La personne doit être …, mais pas …)

  3. Een goede collega is … en niet …

    (Un bon collègue est … et pas …)

Beste Sanne,

Dank je voor je e-mail. Voor mij is een vriendelijke collega heel belangrijk. De nieuwe collega moet eerlijk en open zijn. Ik wil graag iemand die actief werkt en niet lui is. Een beetje verlegen is oké, maar niet gesloten of onvriendelijk.

Met vriendelijke groet,
[voornaam]

Bonjour Sanne,

Merci pour votre e-mail. Pour moi, un collègue sympathique est très important. Le nouveau collègue doit être honnête et ouvert. J'aimerais quelqu'un de dynamique et pas paresseux. Un peu timide, ça va, mais pas fermé ou désagréable.

Cordialement,
[prénom]

Exercice 2: Associer un mot

Instruction: Associez chaque début avec sa fin correcte.

Mijn collega is heel vriendelijk en altijd behulpzaam. (Mon collègue est très sympathique et toujours serviable.)
De nieuwe manager is erg open over zijn plannen. (Le nouveau responsable est très transparent concernant ses projets.)
Ik ben niet lui, ik ben gewoon erg moe. (Je ne suis pas paresseux, je suis juste très fatigué.)
We ontmoeten morgen een hele eerlijke kandidaat. (Nous rencontrons demain un candidat très honnête.)

Exercice 3: Choix multiple

Instruction: Choisissez la bonne solution

1. Ik ___ mijn nieuwe, heel vriendelijke collega vandaag.

(Je ___ aujourd'hui mon nouveau collègue, très sympathique.)

2. Morgen ___ wij de manager, hij is niet erg open.

(Demain ___ nous le responsable, il n'est pas très ouvert.)

3. ___ jij vaak nieuwe mensen op je werk, of ben je geen open persoon?

(___ tu souvent de nouvelles personnes au travail, ou n'es-tu pas quelqu'un d'ouvert ?)

4. Mijn collega’s zijn heel vriendelijk, maar ik ___ geen nieuwe mensen op andere afdelingen.

(Mes collègues sont très sympathiques, mais je ___ pas de nouvelles personnes dans les autres départements.)

Exercice 4: Cartes de dialogue

Instruction: Choisissez une situation et entraînez-vous à la conversation avec votre professeur ou vos camarades.

Exercice 5: Répondez à la situation

Instruction: Exercez-vous par deux ou avec votre enseignant.

1. Je hebt een nieuwe collega op het werk. Je manager vraagt: "Hoe is hij als persoon?" Beschrijf hem kort. (Gebruik: eerlijk, op het werk, ik vind hem...)

(Vous avez un nouveau collègue au travail. Votre responsable demande : « Comment est‑il comme personne ? » Décrivez‑le brièvement. (Utilisez : eerlijk, op het werk, ik vind hem...))

Ik vind hem  

(Ik vind hem ...)

Exemple:

Ik vind hem eerlijk. Hij zegt altijd wat hij denkt op het werk.

(Ik vind hem eerlijk. Hij zegt altijd wat hij denkt op het werk.)

2. Je buren organiseren een buurtborrel. Jij stelt een nieuwe buurvrouw voor aan de groep. Zeg kort hoe zij is. (Gebruik: vriendelijk, hallo zeggen, lachen)

(Vos voisins organisent un apéritif de quartier. Vous présentez une nouvelle voisine au groupe. Dites brièvement comment elle est. (Utilisez : vriendelijk, hallo zeggen, lachen))

Zij is heel  

(Zij is heel ...)

Exemple:

Zij is heel vriendelijk. Ze zegt altijd hallo en lacht veel.

(Zij is heel vriendelijk. Ze zegt altijd hallo en lacht veel.)

3. Je hebt een korte online vergadering met een klant. Na de meeting vraagt een collega: "Hoe is de klant?" Beschrijf de klant kort. (Gebruik: open, praten, vragen stellen)

(Vous avez une courte réunion en ligne avec un client. Après la réunion, un collègue demande : « Comment est le client ? » Décrivez brièvement le client. (Utilisez : open, praten, vragen stellen))

De klant is  

(De klant is ...)

Exemple:

De klant is heel open. Hij praat veel en stelt veel vragen.

(De klant is heel open. Hij praat veel en stelt veel vragen.)

4. Je zit in een sollicitatiegesprek voor een nieuwe baan. De werkgever vraagt: "Hoe ben jij als persoon op het werk?" Leg kort uit. (Gebruik: slim, leren, problemen oplossen)

(Vous êtes à un entretien d'embauche pour un nouveau poste. L'employeur demande : « Comment êtes‑vous comme personne au travail ? » Expliquez brièvement. (Utilisez : slim, leren, problemen oplossen))

Ik ben  

(Ik ben ...)

Exemple:

Ik ben slim. Ik leer snel en ik los problemen goed op.

(Ik ben slim. Ik leer snel en ik los problemen goed op.)

Exercice 6: Exercice d'écriture

Instruction: Écrivez 4 ou 5 phrases sur vous en tant que collègue : quel caractère avez-vous au travail ?

Expressions utiles:

Ik ben een betrouwbare collega. / Op mijn werk ben ik meestal vriendelijk. / Ik ben niet verlegen, maar wel rustig. / Mijn collega1s zeggen dat ik goed samenwerk.

Oefening 7: Exercice de conversation

Instructie:

  1. Beschrijf en vergelijk de mensen. (Décrire et comparer les gens.)
  2. Beschrijf je eigen karakter. (Décrivez votre propre caractère.)

Directives pédagogiques +/- 10 minutes

Exemples de phrases:

Juliette en Lukas zijn een liefdevol stel.

Juliette et Lukas forment un couple affectueux.

Raúl is de meest gesloten persoon. Hij is introvert.

Raúl est la personne la plus renfermée. Il est introverti.

Caitlin is niet sportief; ze is de minst actieve persoon.

Caitlin n'est pas sportive ; elle est la personne la moins active.

Paula en Giulia zijn erg extravert.

Paula et Giulia sont très extraverties.

Charlotte is verlegen.

Charlotte est timide.

Peter is de meest actieve persoon.

Peter est la personne la plus active.

Ik kan verlegen zijn als ik de mensen niet ken.

Je peux être timide si je ne connais pas les gens.

...