1. Taalonderdompeling

2. Woordenschat (12)

De kat

De kat Show

De kat Show

De hond

De hond Show

De hond Show

De schildpad

De schildpad Show

De schildpad Show

De vogel

De vogel Show

De vogel Show

Het konijn

Het konijn Show

Het konijn Show

De muis

De muis Show

De muis Show

Aaien

Aaien Show

Aaien Show

Zorgen voor

Zorgen voor Show

Zorgen voor Show

Wandelen

Wandelen Show

Wandelen Show

Zitten

Zitten Show

Zitten Show

Blijven

Blijven Show

Blijven Show

Springen

Springen Show

Springen Show

3. Grammatica

Belangrijk werkwoord

Wandelen (wandelen)

Belangrijk werkwoord

Blijven (blijven)

Belangrijk werkwoord

Springen (springen)

4. Oefeningen

Oefening 1: Examenvoorbereiding

Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder


Bericht op het prikbord: Wie zorgt voor mijn hond?

Woorden om te gebruiken: snel, hond, brievenbus, lijn, springen, eet, wandelen

(Bericht op het prikbord: Wie zorgt er voor mijn hond?)

Hallo buren,

Volgende week ga ik vijf dagen naar Berlijn voor mijn werk. Wie kan in deze week voor mijn Max zorgen? Max is een kleine hond. Hij is lief en rustig in huis. Hij slaapt veel op de bank. Max twee keer per dag brokjes. Hij drinkt alleen water. Hij moet drie keer per dag naar buiten. Hij vindt het leuk om te in het park, maar hij loopt niet zo . Je hoeft niet met hem te rennen of te . Max mag niet op het bed en hij moet altijd aan de blijven. Als je wilt helpen, bel mij dan of doe een briefje in mijn . Dank je wel!

  1. Welke zorg heeft Max elke dag nodig? Noem twee dingen uit de tekst.

  2. Zou jij voor Max willen zorgen? Waarom wel of niet?

  3. Hoe vaak wandelt Max per dag en waar vindt hij het leuk om te lopen?

Oefening 2: Een woord matchen

Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.

Als ik op reis ga, blijft mijn hond bij mijn buurvrouw.
Mijn kat blijft meestal binnen, want buiten is het te druk.
Ik wandel elke avond met de hond in het park.
Ons konijn eet geen brood, het krijgt alleen hooi en groente.

Oefening 3: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. In de ochtend ___ ik met mijn hond en hij blijft rustig aan de lijn.


2. Mijn buurman ___ elke dag thuis bij de kat als zijn vrouw laat werkt.


3. In het weekend ___ mijn partner en ik in het park en de hond springt blij in het gras.


4. Onze konijnen ___ de hele dag in de tuin en blijven meestal dicht bij hun hok.


Oefening 4: Gesprekskaarten

Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 5: Reageer op de situatie

Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.

1. Je gaat een weekend weg voor werk. Je vraagt een goede buur om op jouw huisdier te passen. Vertel wat voor dier je hebt en wat het dier leuk vindt. (Gebruik: de kat / de hond, zorgen voor, aaien)

Kunt u  

Voorbeeld:

Kunt u zorgen voor mijn kat? Geef haar elke dag eten en aai haar een beetje.

2. Je bent bij de dierenarts met jouw hond. De assistent vraagt: "Wat doet jouw hond op een dag?" Leg kort de routine uit. (Gebruik: de hond, wandelen, zitten)

Ik wandel  

Voorbeeld:

Ik wandel elke dag met mijn hond. Daarna zit hij rustig in zijn mand.

3. Een collega vraagt naar jouw konijn. Hij wil weten waar het konijn slaapt en wat het eet. Leg dat kort uit. (Gebruik: het konijn, zitten, snel)

Mijn konijn  

Voorbeeld:

Mijn konijn zit meestal in zijn kooi. Hij eet gras en groente en hij rent snel in de tuin.

4. Je bent in een dierenwinkel. Je wilt een rustig huisdier voor jouw appartement. Vertel wat voor dier je zoekt en waarom. (Gebruik: de schildpad, langzaam, thuisblijven)

Ik wil  

Voorbeeld:

Ik wil graag een schildpad. Een schildpad is rustig en loopt langzaam. Hij blijft goed thuis als ik werk.

Oefening 6: Schrijfopdracht

Instructie: Schrijf 4 of 5 zinnen over de dagelijkse routine en verzorging van jouw huisdier of van een huisdier dat je graag zou willen hebben.

Nuttige uitdrukkingen:

Ik heb een … als huisdier. / Mijn huisdier eet … keer per dag. / Ik ga elke dag met mijn huisdier … / Mijn huisdier is … en hij/zij houdt van …

Oefening 7: Gespreksoefening

Instructie:

  1. Noem elk huisdier op de foto. (Noem elk huisdier op de foto.)
  2. Maak een dialoog: vraag of ze wel of geen dieren hebben. (Maak een dialoog: vraag of zij dieren hebben of niet.)
  3. Beschrijf de dagelijkse verzorging van je huisdier. (Beschrijf de dagelijkse verzorging van uw huisdier.)

Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten

Voorbeeldzinnen:

Ik zie een hond en een kat.

De hond rent.

Deze hond zit.

Welke huisdieren heb je?

Hoe vaak voer je je kat?

Elke ochtend ga ik wandelen met mijn hond.

Ik borstel elke dag het haar van mijn konijn.

...