Leer hoe je woorden en zinnen gebruikt over je huisdieren, zoals 'de kat', 'de hond', en werkwoorden als 'wandel', 'springt' en 'aaien', om dagelijkse situaties soepel te beschrijven.
Luister- en leesmateriaal
Oefen woordenschat in context met echte materialen.
Woordenschat (14) Delen Gekopieerd!
Oefeningen Delen Gekopieerd!
Deze oefeningen kunnen tijdens conversatielessen samen gedaan worden of als huiswerk.
Oefening 1: Zinnen herschikken
Instructie: Maak correcte zinnen en vertaal.
Oefening 2: Een woord matchen
Instructie: Kom de vertalingen overeen
Oefening 3: Clusteren van woorden
Instructie: Verdeel de woorden in twee categorieën: namen van huisdieren en werkwoorden die te maken hebben met verzorging of beweging.
Namen van huisdieren
Werkwoorden bij verzorging en beweging
Oefening 4: Vertaal en gebruik in een zin
Instructie: Kies een woord, vertaal het en gebruik het woord in een zin of dialoog.
1
Langzaam
Langzaam
2
Het konijn
Het konijn
3
De schildpad
De schildpad
4
De muis
De muis
5
Wandelen
Wandelen
Oefening 5: Gespreksoefening
Instructie:
- Noem elk huisdier op de foto. (Noem elk huisdier op de foto.)
- Vraag de anderen of ze een huisdier hebben. (Vraag de anderen of ze een huisdier hebben.)
- Beschrijf de dagelijkse verzorging van je huisdier. (Beschrijf de dagelijkse verzorging van uw huisdier.)
Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten
Oefening 6: Gesprekskaarten
Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Oefening 7: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. Ik _____ elke ochtend met mijn hond in het park.
2. Mijn kat _____ vaak op de vensterbank zitten.
3. De schildpad _____ niet snel, hij beweegt langzaam.
4. We _____ samen met het konijn in de tuin.
Oefening 8: Jouw huisdieren
Instructie:
Werkwoordschema's
Wandelen - Wandelen
Onvoltooid tegenwoordige tijd (OTT)
- ik wandel
- jij wandelt
- hij/zij/het wandelt
- wij wandelen
- jullie wandelen
- zij wandelen
Blijven - Blijven
Onvoltooid tegenwoordige tijd (OTT)
- ik blijf
- jij blijft
- hij/zij/het blijft
- wij blijven
- jullie blijven
- zij blijven
Springen - Springen
Onvoltooid tegenwoordige tijd (OTT)
- ik spring
- jij springt
- hij/zij/het springt
- wij springen
- jullie springen
- zij springen
Zitten - Zitten
Onvoltooid tegenwoordige tijd (OTT)
- ik zit
- jij zit
- hij/zij/het zit
- wij zitten
- jullie zitten
- zij zitten
Zorgen voor - Zorgen voor
Onvoltooid tegenwoordige tijd (OTT)
- ik zorg
- jij zorgt
- hij/zij/het zorgt
- wij zorgen
- jullie zorgen
- zij zorgen
Aaien - Aaien
Onvoltooid tegenwoordige tijd (OTT)
- ik aai
- jij aait
- hij/zij/het aait
- wij aaien
- jullie aaien
- zij aaien
Grammatica Delen Gekopieerd!
We geven toe dat het niet het meest opwindende is, maar het is absoluut essentieel (en we beloven dat het zich zal terugbetalen)!
Werkwoordsvervoegingstabellen voor deze les Delen Gekopieerd!
Wandelen wandelen Delen Gekopieerd!
Onvoltooid tegenwoordige tijd (OTT)
Nederlands | Nederlands |
---|---|
(ik) wandel | (ik) wandel |
(jij) wandelt | (jij) wandelt |
(hij/zij/het) wandelt | (hij/zij/het) wandelt |
(wij) wandelen | (wij) wandelen |
(jullie) wandelen | (jullie) wandelen |
(zij) wandelen | (zij) wandelen |
Blijven blijven Delen Gekopieerd!
Onvoltooid tegenwoordige tijd (OTT)
Nederlands | Nederlands |
---|---|
(ik) blijf | (ik) blijf |
(jij) blijf/blijft | (jij) blijf/blijft |
(hij/zij/het) blijft | (hij/zij/het) blijft |
(wij) blijven | (wij) blijven |
(jullie) blijven | (jullie) blijven |
(zij) blijven | (zij) blijven |
Springen springen Delen Gekopieerd!
Onvoltooid tegenwoordige tijd (OTT)
Nederlands | Nederlands |
---|---|
(ik) spring | (ik) spring |
(jij) springt/spring | (jij) springt/spring |
(hij/zij/het) springt | (hij/zij/het) springt |
(wij) springen | (wij) springen |
(jullie) springen | (jullie) springen |
(zij) springen | (zij) springen |
Zie je geen vooruitgang als je alleen studeert? Bestudeer dit materiaal met een gecertificeerde docent!
Wil je vandaag Nederlands oefenen? Dat kan! Neem vandaag nog contact op met een van onze docenten.
Overzicht van de les: Jouw huisdieren
Deze les richt zich op het thema huisdieren en verzorging ervan, geschikt voor het niveau A1. Je leert veelgebruikte woorden voor huisdieren en eenvoudige werkwoorden die te maken hebben met beweging en verzorging. Daarnaast oefen je de uitspraak van belangrijke klanken zoals 'ij' en 'ei'. De les bevat nuttige voorbeelden en zinnen om over je eigen huisdieren te praten of te schrijven.
Belangrijke woordenschat
- Namen van huisdieren: de hond, de kat, de muis, de schildpad, de vogel, het konijn
- Werkwoorden voor verzorging en beweging: aaien, wandelen, zorgen voor, springen
Voorbeeldzinnen en gebruik
In de les vind je zinnen om het dagelijkse gedrag en de verzorging van huisdieren te beschrijven, zoals:
- "Hoe vaak wandel je ’s ochtends met de hond?"
- "Mijn kat zit graag op de vensterbank en kijkt naar de vogels buiten."
- "Kun je het konijn aaien zonder dat het weg springt?"
- "Ik zorg voor de schildpad en geef hem langzaam eten."
Werkwoordvervoegingen in de tegenwoordige tijd
Je oefent met de onvoltooid tegenwoordige tijd van veelvoorkomende werkwoorden die je nodig hebt om over huisdieren te praten:
- ik wandel, jij wandelt, hij wandelt, wij wandelen, jullie wandelen, zij wandelen
- ik blijf, jij blijft, hij blijft, wij blijven, jullie blijven, zij blijven
- ik spring, jij springt, hij springt, wij springen, jullie springen, zij springen
- ik zit, jij zit, hij zit, wij zitten, jullie zitten, zij zitten
- ik zorg, jij zorgt, hij zorgt, wij zorgen, jullie zorgen, zij zorgen
- ik aai, jij aait, hij aait, wij aaien, jullie aaien, zij aaien
Extra aandacht: klanken 'ij' en 'ei'
De uitspraak van ij en ei kan lastig zijn. In deze les wordt aandacht besteed aan het correcte gebruik en de uitspraak hiervan. Let op woorden zoals kat en plast in de zin "Mijn kat plast in huis!" waar je onderscheid maakt in de uitspraak en spelling.
Praktische tips voor gesprekken
Je leert ook hoe je een gesprek kunt voeren over huisdieren en hun verzorging, bijvoorbeeld door vragen te stellen zoals:
- Heb jij een huisdier?
- Wat eet jouw konijn?
- Hoe vaak verzorg jij je schildpad?
Verschillen en vergelijkingen met instructietaal
Aangezien de instructietaal en de leerdoeltaal beide Nederlands zijn, worden er geen vertalingen toegevoegd. Dit helpt om direct in de taal te denken en te oefenen. In andere combinaties zou het bijvoorbeeld nuttig zijn om woordbetekenissen in de moedertaal te geven, maar hier ligt de focus op taalbegrip en uitspraak. Enkele bruikbare woorden zijn bijvoorbeeld verzorgen (to take care of) en wandelen (to walk), die je helpen functioneel over huisdieren te spreken.