A1.37 - Vos animaux de compagnie
Jullie huisdieren
1. Immersion linguistique
A1.37.1 Activité
Mon chat urine dans la maison !
3. Grammaire
A1.37.2 Grammaire
Prononciation de 'ij' et 'ei'
Verbe clé
Wandelen (se promener)
Verbe clé
Blijven (rester)
Verbe clé
Springen (sauter)
4. Exercices
Exercice 1: Préparation à l'examen
Instruction: Lisez le texte, comblez les lacunes avec les mots manquants et répondez aux questions ci-dessous
Bericht op het prikbord: Wie zorgt voor mijn hond?
Mots à utiliser: eet, springen, lijn, wandelen, snel, hond, brievenbus
(Message sur le panneau d’affichage : Qui s’occupe de mon chien ?)
Hallo buren,
Volgende week ga ik vijf dagen naar Berlijn voor mijn werk. Wie kan in deze week voor mijn Max zorgen? Max is een kleine hond. Hij is lief en rustig in huis. Hij slaapt veel op de bank. Max twee keer per dag brokjes. Hij drinkt alleen water. Hij moet drie keer per dag naar buiten. Hij vindt het leuk om te in het park, maar hij loopt niet zo . Je hoeft niet met hem te rennen of te . Max mag niet op het bed en hij moet altijd aan de blijven. Als je wilt helpen, bel mij dan of doe een briefje in mijn . Dank je wel!Bonjour voisins,
La semaine prochaine, je pars cinq jours à Berlin pour le travail. Qui peut s’occuper de mon chien Max pendant cette semaine ? Max est un petit chien. Il est gentil et calme à la maison. Il dort beaucoup sur le canapé. Max mange des croquettes deux fois par jour. Il ne boit que de l’eau. Il doit sortir trois fois par jour. Il aime se promener dans le parc, mais il ne marche pas très vite. Vous n’avez pas besoin de courir ou de sauter avec lui. Max ne doit pas être sur le lit et il doit toujours rester en laisse. Si vous pouvez aider, appelez-moi ou glissez un mot dans ma boîte aux lettres. Merci beaucoup !
-
Welke zorg heeft Max elke dag nodig? Noem twee dingen uit de tekst.
(De quels soins Max a-t-il besoin chaque jour ? Nommez deux choses qui sont mentionnées dans le texte.)
-
Zou jij voor Max willen zorgen? Waarom wel of niet?
(Voudriez-vous vous occuper de Max ? Pourquoi oui ou pourquoi non ?)
-
Hoe vaak wandelt Max per dag en waar vindt hij het leuk om te lopen?
(Combien de fois Max sort-il par jour et où aime-t-il se promener ?)
Exercice 2: Associer un mot
Instruction: Associez chaque début avec sa fin correcte.
Exercice 3: Choix multiple
Instruction: Choisissez la bonne solution
1. In de ochtend ___ ik met mijn hond en hij blijft rustig aan de lijn.
(Le matin ___ je promène mon chien et il reste calme en laisse.)2. Mijn buurman ___ elke dag thuis bij de kat als zijn vrouw laat werkt.
(Mon voisin ___ chaque jour à la maison avec le chat quand sa femme travaille tard.)3. In het weekend ___ mijn partner en ik in het park en de hond springt blij in het gras.
(Le week-end ___ mon partenaire et moi nous promenons dans le parc et le chien saute joyeusement dans l'herbe.)4. Onze konijnen ___ de hele dag in de tuin en blijven meestal dicht bij hun hok.
(Nos lapins ___ toute la journée dans le jardin et restent généralement près de leur clapier.)Exercice 4: Cartes de dialogue
Instruction: Choisissez une situation et entraînez-vous à la conversation avec votre professeur ou vos camarades.
Buurvrouw past op de hond
Tom (buurman): Montrer Anja, wij zijn dit weekend weg, kun jij voor onze hond zorgen?
(Anja, nous sommes partis ce week-end, peux-tu t'occuper de notre chien ?)
Anja (buurvrouw): Montrer Ja hoor, geen probleem, hoe vaak moet ik met hem wandelen?
(Oui bien sûr, aucun problème. À quelle fréquence dois-je le promener ?)
Tom (buurman): Montrer Twee keer per dag graag, en hij krijgt ’s ochtends en ’s avonds eten.
(Deux fois par jour, s'il te plaît, et il a sa nourriture le matin et le soir.)
Anja (buurvrouw): Montrer Is goed, ik aai hem even en dan blijft hij vast rustig.
(D'accord, je vais le caresser un peu, il restera sûrement calme.)
Questions ouvertes:
1. Heb jij een huisdier? Wie zorgt voor jouw huisdier?
As-tu un animal de compagnie ? Qui s'occupe de ton animal ?
2. Wat eet jouw huisdier op een normale dag?
Que mange ton animal un jour normal ?
Bij de dierenwinkel voor de kat
Klant: Montrer Goedemiddag, ik zoek eten voor mijn kat, hij is al een beetje oud.
(Bonjour, je cherche de la nourriture pour mon chat, il est déjà un peu âgé.)
Verkoper dierenwinkel: Montrer Dan is zachte kattenvoeding goed, hoe vaak geef je hem eten?
(Dans ce cas, une pâtée pour chats est adaptée. À quelle fréquence le nourrissez-vous ?)
Klant: Montrer Hij krijgt twee keer per dag eten en hij zit graag bij mij op de bank.
(Il mange deux fois par jour et il aime être sur le canapé avec moi.)
Verkoper dierenwinkel: Montrer Neem dan deze, dat is licht voer, en veel katten springen er niet wild van rond.
(Prenez donc celle-ci : c'est une nourriture légère, beaucoup de chats ne deviennent pas excités en la mangeant.)
Questions ouvertes:
1. Welke dieren heb jij thuis? Wat eten ze?
Quels animaux as-tu chez toi ? Que mangent-ils ?
2. Wanneer speel jij met jouw huisdier of aai je het?
Quand joues-tu avec ton animal ou le caresses-tu ?
Exercice 5: Répondez à la situation
Instruction: Exercez-vous par deux ou avec votre enseignant.
1. Je gaat een weekend weg voor werk. Je vraagt een goede buur om op jouw huisdier te passen. Vertel wat voor dier je hebt en wat het dier leuk vindt. (Gebruik: de kat / de hond, zorgen voor, aaien)
(Vous partez en week-end pour le travail. Vous demandez à un bon voisin de garder votre animal. Dites quel animal vous avez et ce que l’animal aime. (Utilisez : de kat / de hond, zorgen voor, aaien))Kunt u
(Pouvez-vous ...)Exemple:
Kunt u zorgen voor mijn kat? Geef haar elke dag eten en aai haar een beetje.
(Pouvez-vous vous occuper de mon chat ? Donnez-lui à manger chaque jour et caressez-le un peu.)2. Je bent bij de dierenarts met jouw hond. De assistent vraagt: "Wat doet jouw hond op een dag?" Leg kort de routine uit. (Gebruik: de hond, wandelen, zitten)
(Vous êtes chez le vétérinaire avec votre chien. L’assistant demande : « Wat doet jouw hond op een dag? » Expliquez brièvement la routine. (Utilisez : de hond, wandelen, zitten))Ik wandel
(Je promène ...)Exemple:
Ik wandel elke dag met mijn hond. Daarna zit hij rustig in zijn mand.
(Je promène mon chien tous les jours. Ensuite il reste calmement dans son panier.)3. Een collega vraagt naar jouw konijn. Hij wil weten waar het konijn slaapt en wat het eet. Leg dat kort uit. (Gebruik: het konijn, zitten, snel)
(Un collègue demande des nouvelles de votre lapin. Il veut savoir où dort le lapin et ce qu’il mange. Expliquez cela brièvement. (Utilisez : het konijn, zitten, snel))Mijn konijn
(Mon lapin ...)Exemple:
Mijn konijn zit meestal in zijn kooi. Hij eet gras en groente en hij rent snel in de tuin.
(Mon lapin est généralement dans sa cage. Il mange de l’herbe et des légumes et il court vite dans le jardin.)4. Je bent in een dierenwinkel. Je wilt een rustig huisdier voor jouw appartement. Vertel wat voor dier je zoekt en waarom. (Gebruik: de schildpad, langzaam, thuisblijven)
(Vous êtes dans une animalerie. Vous voulez un animal calme pour votre appartement. Dites quel animal vous cherchez et pourquoi. (Utilisez : de schildpad, langzaam, thuisblijven))Ik wil
(Je voudrais ...)Exemple:
Ik wil graag een schildpad. Een schildpad is rustig en loopt langzaam. Hij blijft goed thuis als ik werk.
(Je voudrais une tortue. Une tortue est calme et marche lentement. Elle reste bien à la maison quand je travaille.)Exercice 6: Exercice d'écriture
Instruction: Écrivez 4 ou 5 phrases sur la routine quotidienne et les soins de votre animal de compagnie ou d’un animal que vous aimeriez avoir.
Expressions utiles:
Ik heb een … als huisdier. / Mijn huisdier eet … keer per dag. / Ik ga elke dag met mijn huisdier … / Mijn huisdier is … en hij/zij houdt van …
Oefening 7: Exercice de conversation
Instructie:
- Noem elk huisdier op de foto. (Nommez chaque animal sur la photo.)
- Maak een dialoog: vraag of ze wel of geen dieren hebben. (Créer un dialogue : demandez s'ils ont des animaux ou non.)
- Beschrijf de dagelijkse verzorging van je huisdier. (Décrivez les soins quotidiens pour votre animal.)
Directives pédagogiques +/- 10 minutes
Consignes pour l'enseignant
- Lisez les phrases d'exemple à voix haute.
- Répondez aux questions concernant l'image.
- Les étudiants peuvent également préparer cet exercice sous forme de texte écrit pour le prochain cours.
Exemples de phrases:
|
Ik zie een hond en een kat. Je vois un chien et un chat. |
|
De hond rent. Le chien court. |
|
Deze hond zit. Ce chien est assis. |
|
Welke huisdieren heb je? Quels animaux de compagnie avez-vous ? |
|
Hoe vaak voer je je kat? À quelle fréquence nourrissez-vous votre chat ? |
|
Elke ochtend ga ik wandelen met mijn hond. Chaque matin, je vais me promener avec mon chien. |
|
Ik borstel elke dag het haar van mijn konijn. Je nettoie les poils de mon lapin tous les jours. |
| ... |