Woord | Vertaling |
---|---|
Enig kind | Enig kind |
Twee kinderen | Twee kinderen |
De broer en de zus | De broer en de zus |
Het gezin / gezinnen | Het gezin / gezinnen |
Hoeveel broers en zussen heb jij? | Hoeveel broers en zussen heb jij? |
Ik ben de oudste. | Ik ben de oudste. |
Ik ben thuis de jongste. | Ik ben thuis de jongste. |
Op bezoek bij oma. Een gesprek tussen een kleinkind en haar oma.
1. | Kleinkind: | Hallo oma, leuk je te zien! |
2. | Grootmoeder: | Fijn dat je er bent. Hoe gaat het met jouw ouders? |
3. | Kleinkind: | Goed, dank je. Mijn vader werkt veel en mijn moeder leert Italiaans. |
4. | Grootmoeder: | En hoe oud is je broer nu? Al twintig? |
5. | Kleinkind: | Nee oma, mijn broer is net achttien geworden. |
6. | Grootmoeder: | Weet je al wanneer jullie kinderen krijgen, haha? |
7. | Kleinkind: | Oma, ik ben nog veel te jong. Ik ben pas vijfentwintig. |
8. | Grootmoeder: | Heb je de foto van je nicht gezien? Ze heeft al drie kinderen! Zes, acht en elf jaar oud. |
9. | Kleinkind: | Ja, goed voor haar. Haar zoon lijkt echt op opa. |
10. | Grootmoeder: | Komen zij vandaag ook langs met de kinderen? |
11. | Kleinkind: | Dat weet ik niet. Ze wonen toch in Frankrijk? |
12. | Grootmoeder: | Klopt, dat was ik vergeten. Ze hebben vandaag Franse les. |
Oefening 1: Discussievragen
Instructie: Bespreek de vragen nadat je naar de audio hebt geluisterd of de tekst hebt gelezen.
- Hoe oud is de broer van het kleinkind?
- Bezoek jij jouw grootouders vaak?
- Hoeveel broers en zussen heb jij?
- Beschrijf je familie.
Hoe oud is de broer van het kleinkind?
Bezoek jij jouw grootouders vaak?
Hoeveel broers en zussen heb jij?
Beschrijf je familie.