1. Taalonderdompeling

2. Woordenschat (16)

De advocaat

De advocaat Show

De advocaat Show

De bestuurder

De bestuurder Show

De bestuurder Show

De brandweerman

De brandweerman Show

De brandweerman Show

De dokter

De dokter Show

De dokter Show

De ingenieur

De ingenieur Show

De ingenieur Show

De journalist

De journalist Show

De journalist Show

De kapper

De kapper Show

De kapper Show

De kok

De kok Show

De kok Show

De leraar

De leraar Show

De leraar Show

De manager

De manager Show

De manager Show

De monteur

De monteur Show

De monteur Show

De ober

De ober Show

De ober Show

De politieagent

De politieagent Show

De politieagent Show

De student

De student Show

De student Show

De verpleger

De verpleger Show

De verpleger Show

Studeren

Studeren Show

Studeren Show

3. Grammatica

Belangrijk werkwoord

Werken (werken)

Belangrijk werkwoord

Doen (doen)

4. Oefeningen

Oefening 1: Zinnen herschikken

Instructie: Maak correcte zinnen.

Toon antwoorden
1.
beroep? | is | Wat | uw
Wat is uw beroep?
2.
op een | middelbare school. | Ik ben | leraar en | ik werk
Ik ben leraar en ik werk op een middelbare school.
3.
uw team? | manager van | Wie is | de nieuwe
Wie is de nieuwe manager van uw team?
4.
student en | techniek aan | de universiteit. | ik studeer | Ik ben
Ik ben student en ik studeer techniek aan de universiteit.
5.
studie | jij | nu? | doe | Welke
Welke studie doe jij nu?
6.
en mijn | is brandweerman | zus is | dokter. | Mijn broer
Mijn broer is brandweerman en mijn zus is dokter.

Oefening 2: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Ik ___ als ingenieur in Amsterdam.


2. Wat ___ jij als je niet aan je studie werkt?


3. Mijn zus ___ als dokter in een groot ziekenhuis.


4. Welke studie ___ je nu aan de universiteit?


Oefening 3: Gesprekskaarten

Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 4: Reageer op de situatie

Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.

1. Je bent op een netwerkborrel in Amsterdam. Stel je kort voor aan iemand die je nog niet kent. Zeg wie je bent en wat jouw beroep is. (Gebruik: de leraar, werken als, op kantoor)

Ik werk als    

Voorbeeld:

Ik werk als leraar op een kleine taalschool in Amsterdam.

2. Je zit naast een nieuwe collega in de kantine. Vraag op een eenvoudige manier wat zijn of haar beroep is. (Gebruik: de dokter, de ingenieur, wat doe jij?)

Wat doe jij    

Voorbeeld:

Wat doe jij voor werk? Werk je als ingenieur?

3. Je ontmoet iemand op een verjaardag in Utrecht. Vertel kort wat je nu studeert. (Gebruik: de student, studeren, de universiteit)

Ik studeer    

Voorbeeld:

Ik studeer economie aan de universiteit. Ik ben student in het eerste jaar.

4. Een vriend zoekt een nieuwe baan en vraagt naar jouw werk. Leg in één zin uit wat je meestal doet op je werk. (Gebruik: de manager, de journalist, elke dag, op het werk)

Op mijn werk    

Voorbeeld:

Op mijn werk ben ik manager; ik overleg elke dag met mijn team en maak de planning.

Oefening 5: Luister en beantwoord de vragen

Instructie: Luister naar de audiofragmenten en kies het juiste antwoord op de vragen.

1. Hallo, ik ben Sara. Ik ben lerares Nederlands op deze school. 's Avonds geef ik les aan studenten. Wat studeer jij hier en welke groep heb jij, beginner of gevorderd?

Wat vraagt Sara aan de ander?

2. Hoi, ik ben Amir. Ik werk hier als ingenieur. Ik overleg vaak met de manager en de monteur. En jij, wie is jouw baas en welk werk doe jij in dit bedrijf?

Wat wil Amir vooral weten over de ander?

Oefening 6: Schrijfopdracht

Instructie: Schrijf 4 of 5 zinnen over jouw studie of werk: wat doe je nu en welk beroep wil je later hebben?

Nuttige uitdrukkingen:

Ik werk als ... / Ik studeer ... / Ik wil later ... worden. / Ik werk graag met ...

Oefening 7: Gespreksoefening

Instructie:

  1. Noem de beroepen van elke persoon. (Noem de beroepen van elke persoon.)
  2. Wat is uw beroep? (Wat is uw beroep?)

Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten

Voorbeeldzinnen:

De jongeman is een student.

De vrouw is monteur.

Michael is een politieagent.

Giulia is een journalist.

Wat doe je voor werk?

Ik ben een leraar.

...