A1.7.1 - Wat voor werk doe je?
Wat voor werk doe je?
Oefening 1: Taalonderdompeling
Instructie: Herken de aangegeven woordenschat in de video.
| Woord |
|---|
| De medewerker |
| Wat voor werk doet zij? |
| De doktersassistente |
| De assistente |
| De bloemist |
| Ik werk in een kledingwinkel |
| De accountant |
| Wat doe je zelf? Ik zit in sales en marketing |
| Wat voor werk doe jij? Ik ben incassomedewerker. |
| Jij verstuurt dus de ‘zure brieven’? Ja, een beetje wel. |
| Wat voor werk denken mensen dat jij doet? |
| Mensen denken dat ik iets in de mode doe, omdat ik mode leuk vind. |
| Als jij deze vrouw ziet, wat denk je dan dat zij doet? Doktersassistente? |
| Nee, zij is incassomedewerker. En wat voor werk doe jij zelf? |
| Ik werk in een bloemenwinkel. Dat past wel bij je! |
| Als we een foto van je maken, wat denken mensen dan dat jij doet? |
| Misschien dat ik in een kledingwinkel werk. |
| Als jij deze vrouw ziet, wat denk je dan dat zij doet? Accountant? Nee, zij is bloemist. Wat doe jij zelf? Ik werk in sales en marketing. |
Begripsvragen:
-
Welke baan heeft de eerste persoon in het gesprek?
(Welke baan heeft de eerste persoon in het gesprek?)
-
Welke baan denken mensen vaak dat de incassomedewerker heeft? Waarom denken ze dat?
(Welke baan denken mensen vaak dat de incassomedewerker heeft? Waarom denken ze dat?)
-
Noem twee verschillende beroepen die in de tekst voorkomen.
(Noem twee verschillende beroepen die in de tekst voorkomen.)
Oefening 2: Dialoog
Instructie: Lees de dialoog en beantwoord de vragen.
Beroepen en werk
| 1. | Marco: | Wat voor werk doe je? |
| 2. | Anna: | Ik werk in een winkel. Ik ben verkoopster. |
| 3. | Marco: | Ik ben leraar. Ik geef les aan volwassenen. |
| 4. | Anna: | Leuk! Welk werk wil je niet doen? |
| 5. | Marco: | Ik wil niet graag politieagent of bakker zijn. Die werken laat. |
| 6. | Anna: | Ik wil niet graag als manager of advocaat werken. Die werken te veel. |
| 7. | Marco: | Misschien wil ik accountant, ingenieur of dokter worden. Dan verdien ik meer. |
| 8. | Anna: | Ja, maar beroepen als ober, verpleger of kapper zijn socialer. |
| 9. | Marco: | Hm... dat is waar. Maar ik ben eigenlijk best gelukkig als leraar. |
| 10. | Anna: | Lekker veel vakantie dus! |
1. Wat is het beroep van Anna?
2. Aan wie geeft Marco les?
Oefening 3: Openingsvragen voor gesprekken
Instructie: Beantwoord de vragen en corrigeer ze met je leraar.
-
Wat voor werk doet u nu? Beschrijf uw beroep in één of twee korte zinnen.
__________________________________________________________________________________________________________
-
Wat vindt u leuk aan uw werk en wat vindt u minder leuk?
__________________________________________________________________________________________________________
-
Wat heeft u gestudeerd of wat studeert u nu? Waarom heeft u dat gekozen?
__________________________________________________________________________________________________________
-
Welk beroep zou u in de toekomst willen doen? Waarom past dat beroep bij u?
__________________________________________________________________________________________________________
Oefening 4: Oefening in context
Instructie: Bekijk de video en probeer alle beroepen te herkennen.
Oefen deze dialoog met een echte leraar!
Deze dialoog maakt deel uit van ons leermateriaal. Tijdens onze conversatielessen oefen je de situaties met een docent en andere studenten.
- Implementeert ERK-, DELE-examen en Cervantes-richtlijnen
- Ondersteund door de universiteit van Siegen