1. Waar gaat dit over?
In dit hoofdstuk leer je drie vraagwoorden:
Met deze drie woorden kun je al veel dagelijkse vragen stellen op werk en studie.
Belangrijk is:
- je weet wanneer je welk woord kiest;
- je let op het verschil tussen welk en welke.
2. Snelle keuzehulp: wie, wat of welk(e)?
| Vraagwoord |
Je vraagt naar... |
Voorbeeld |
| wie |
personen (mensen) |
Wie is jouw manager? |
| wat |
dingen, activiteiten, informatie |
Wat doe je vandaag? |
| welk(e) |
een specifiek zelfstandig naamwoord |
Welke laptop koop je? |
Stel jezelf bij elke vraag:
- Gaat het om een persoon? → gebruik wie.
- Gaat het om een ding / activiteit / idee? → vaak wat.
- Moet iemand kiezen tussen opties en noem je een zelfstandig naamwoord? → welk(e).
3. Wie – vragen naar personen
Wie gebruik je als je wilt weten welke persoon iets is of doet.
- Wie is jouw collega?
(je vraagt naar een persoon)
- Wie helpt jou met het verslag?
- Met wie werk je samen?
Let op voorzetsels (met, voor, bij, aan, over, etc.):
- met + wie → Met wie werk je?
- bij + wie → Bij wie heb je een afspraak?
- voor + wie → Voor wie maak je deze presentatie?
Gebruik wat nooit voor personen:
Wat is jouw collega? ✗
- Wie is jouw collega? ✓
4. Wat – vragen naar dingen en activiteiten
Wat gebruik je als je wilt weten wat er gebeurt, wat iets is of welke informatie iemand geeft.
- Wat doe je in het weekend?
- Wat is je favoriete vak?
- Wat betekent dit woord?
- Wat zijn je plannen voor vandaag?
Wat kan ook gaan over dieren en dingen:
- Wat is dat geluid?
- Wat is jouw lievelingsdier?
Twijfel je tussen wat en welk(e)? Kijk of er direct een zelfstandig naamwoord achter staat.
- Wat doe je? → geen zelfstandig naamwoord erachter.
- Welke taak doe je? → taak is een zelfstandig naamwoord.
5. Welk of welke? – stap voor stap
Met welk(e) vraag je naar een specifieke keuze uit een groep: deze, die of een andere?
- Welk boek lees je nu?
- Welke opleiding volg je?
- Welke collega spreekt Duits?
Je kiest tussen welk en welke op basis van het zelfstandig naamwoord.
| Soort woord |
Vraagwoord |
Voorbeeld |
| het-woord (enkelvoud) |
welk |
Welk boek lees je?
(het boek) |
| de-woord (enkelvoud) |
welke |
Welke studie doe je?
(de studie) |
| meervoud (de) |
welke |
Welke collega’s komen?
(de collega’s) |
6. Hoe weet ik of een woord een de- of het-woord is?
Bij A1 hoef je dit nog niet perfect te kunnen.
Drie praktische tips:
- Leer het woord altijd met “de” of “het”.
- de collega → welke collega
- het beroep → welk beroep
- Alle meervouden zijn “de”.
- de collega’s, de studies, de beroepen → altijd welke in het meervoud.
- Twijfel je? Kijk in een woordenboek of online woordenboek.
7. Wat of welk(e)? – veelgemaakte twijfel
Beide gaan vaak over dingen. Het verschil:
- wat → algemeen
- welk(e) → keuze uit opties + zelfstandig naamwoord
| Algemeen (wat) |
Keuze (welk(e) + znw) |
Wat studeer je?
(open vraag, geen opties genoemd) |
Welke studie doe je?
(je denkt aan concrete studies: psychologie, rechten, etc.) |
Wat lees je?
(boek? mail? rapport?) |
Welk boek lees je?
(specifiek boek uit meerdere boeken) |
| Wat eet je vanavond? |
Welke soep neem je?
(je kiest tussen concrete soepen op het menu) |
Zelfcontrole:
- Komt er direct een zelfstandig naamwoord achter? → gebruik welk(e).
- Komt er geen zelfstandig naamwoord direct achter? → meestal wat.
8. Vraagwoord + woordvolgorde
De basisstructuur van een vraagzin met een vraagwoord:
- Vraagwoord
- persoonsvorm (geconjugeerd werkwoord)
- onderwerp
- rest van de zin
- Wie is jouw collega?
- Wat doe je vandaag?
- Welke studie past bij jou?
Met een voorzetsel:
- Met wie werk je samen?
- Voor wie maak je dit rapport?
Vermijd Engelse volgorde:
Wie jouw collega is? ✗
- Wie is jouw collega? ✓
9. Typische fouten en hoe je ze herkent
- Fout 1: wat voor personen gebruiken
Wat is jouw collega? ✗
- Wie is jouw collega? ✓
- Fout 2: welk gebruiken bij een de-woord
Welk studie doe je? ✗
- Welke studie doe je? ✓ (de studie)
- Fout 3: wat gebruiken waar een keuze is met zelfstandig naamwoord
Wat laptop koop je? ✗
- Welke laptop koop je? ✓
- Fout 4: vraagwoord + onderwerp omdraaien
Welke studie jij doet? ✗
- Welke studie doe jij? ✓
10. Zelfcheck: kan ik dit al?
Beantwoord voor jezelf deze vragen. Kun je ze hardop correct formuleren?
- Je wilt weten naar welke persoon je collega mailt.
- Maak een vraag met een voorzetsel + wie.
Mogelijk antwoord: Aan wie mail je?
- Je wilt weten wat iemand doet in het weekend.
- Maak een algemene vraag met wat.
Mogelijk antwoord: Wat doe je in het weekend?
- Je wilt weten welk beroep iemand later wil.
- het beroep → welk of welke?
Mogelijk antwoord: Welk beroep wil je later?
- Je collega kiest uit drie cursussen. Je vraagt naar de specifieke cursus.
- de cursus → welk(e)?
Mogelijk antwoord: Welke cursus kies je?
- Je hoort lawaai op de gang en vraagt naar het geluid.
- Gebruik wat.
Mogelijk antwoord: Wat is dat geluid?
Kun je dit soort vragen vlot maken? Dan beheers je de basis van wie, wat en welk(e) en kun je in de les vooral gaan oefenen in gesprek.