A2.27 - Kledingstijlen en mode
Kledingstijlen en mode
1. Taalonderdompeling
A2.27.1 Activiteit
Mee in de mode?
3. Grammatica
Belangrijk werkwoord
Passen (passen)
Belangrijk werkwoord
Dragen (dragen)
Belangrijk werkwoord
Aandoen (aandoen)
4. Oefeningen
Oefening 1: Examenvoorbereiding
Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder
Dresscode op kantoor: informeel maar netjes
Woorden om te gebruiken: outfit, in, stijl, mode, Sportschoenen, past, spijkerbroek, merk
(Dresscode op kantoor: informeel maar verzorgd)
In ons bedrijf is de kleding op kantoor informeel, maar je moet er wel netjes uitzien. Een mag, maar geen korte broek. Veel collega’s dragen een simpel shirt met een vest of blazer. zijn oké als ze schoon zijn. Je mag geen kleding met grote teksten of rare grappen dragen.
Op maandag hebben we vaak een afspraak met klanten. Dan vragen we om een wat formelere . Veel mensen kiezen dan voor een donker -shirt en nette schoenen. Felle kleuren zijn prima, maar de moet rustig blijven. In de winter is een trui de , in de zomer zijn lichte stoffen beter. Kies vooral kleding die goed en waar jij je prettig in voelt.
-
Wat voor kleding is toegestaan op dit kantoor en wat mag niet?
-
Hoe verandert de kleding op maandag als er klanten komen?
-
Waarom zijn lichte stoffen in de zomer een goede keuze?
-
Hoe ziet jouw ideale werkoutfit eruit voor een afspraak met klanten?
Oefening 2: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. In de paskamer zie ik dat de broek goed past, dus ik ___ hem meteen ___ en ik ___ daarna de trui ook ___ .
2. Gisteren ___ ik mijn nieuwe blauwe pak naar een sollicitatiegesprek bij een modebedrijf.
3. Vandaag ___ ik een groene vintage jurk ___ , omdat dat goed past bij mijn persoonlijke stijl.
4. Voor de presentatie over duurzame mode ___ ik mijn sneakers ___ en ik ___ uiteindelijk een netter paar schoenen ___ .
Oefening 3: Gesprekskaarten
Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Nieuwe outfit kopen voor kantoor
Klant: Show Ik zoek een nieuwe outfit voor kantoor, een beetje hip maar niet té.
Verkoopster: Show Probeer deze broek met dit overhemd, het merk is nu heel erg in de mode.
Klant: Show Mag ik het even aandoen en in de paskamer bekijken?
Verkoopster: Show Natuurlijk, de paskamer is daar links; roep maar als u nog iets wilt passen.
Open vragen:
1. Wat vind jij belangrijk bij een outfit voor je werk?
2. Welke kleding vind jij hip en welke ouderwets?
Kleding kiezen voor een avondje uit
Sanne (vriendin): Show Wat ga jij vanavond aanhebben bij het etentje, Mark?
Mark (vriend): Show Ik doe mijn zwarte broek aan en een vintage overhemd, dat is nu weer in de mode.
Sanne (vriendin): Show Leuk, dan trek ik mijn blauwe jurk aan en doe ik die dikke sokken uit.
Mark (vriend): Show Top, dan passen onze stijlen wel bij elkaar, niet te chic maar ook niet ouderwets.
Open vragen:
1. Wat draag jij graag als je uit eten gaat?
2. Heb je kleding in je kast die een beetje vintage of ouderwets is?
Oefening 4: Reageer op de situatie
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
1. Je collega vraagt welke kleren jij normaal naar kantoor aandoet, omdat er morgen een belangrijke klant komt. Leg kort uit wat je meestal draagt op je werk. (Gebruik: De outfit, aandoen, op kantoor)
Mijn outfit op werk
Voorbeeld:
Mijn outfit op werk is meestal simpel: ik doe een nette broek en een blouse aan, geen spijkerbroek.
2. Je bent in een kledingwinkel en je wil een broek passen. Vraag aan de verkoper waar je kunt passen. (Gebruik: De paskamer, passen, de broek)
Kunt u mij
Voorbeeld:
Kunt u mij zeggen waar de paskamers zijn? Ik wil graag deze broek passen.
3. Je gaat met een vriend(in) naar een verjaardag. Hij/zij vraagt wat jij vandaag aanhebt. Vertel kort wat je nu draagt. (Gebruik: Aanhebben, de sokken, de onderbroek, de outfit)
Ik heb nu
Voorbeeld:
Ik heb nu een spijkerbroek en een donkerblauwe trui aan, met zwarte sokken. Het is een makkelijke outfit voor een verjaardag.
4. Je koopt een nieuw jasje en je vriend(in) vraagt of het jasje in de mode is of een beetje ouderwets. Vertel wat jij van de stijl vindt. (Gebruik: In de mode, ouderwets, de stijl)
Ik vind dit jasje
Voorbeeld:
Ik vind dit jasje best in de mode. De stijl is simpel en modern, en het past goed bij mijn andere kleding.
Oefening 5: Schrijfopdracht
Instructie: Schrijf 5 tot 7 zinnen over wat je graag naar je werk of studie draagt en leg uit waarom die kleding bij jouw stijl past.
Nuttige uitdrukkingen:
Ik draag meestal ... naar mijn werk. / Deze kleding past bij mijn stijl, omdat ... / Op dagen met belangrijke afspraken doe ik ... aan. / Ik voel mij prettig in ... omdat ...
Oefening 6: Gespreksoefening
Instructie:
- Beschrijf de stijl van elke afbeelding en benoem de kledingstukken. (Beschrijf de stijl van elke afbeelding en noem de kledingstukken.)
- Wat is jouw favoriete stijl? In welke outfit voel jij je het meest comfortabel? (Wat is jouw favoriete stijl? In welke outfit voel je je het meest comfortabel?)
Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten
Instructies voor de leraar
- Lees de voorbeeldzinnen hardop voor.
- Beantwoord de vragen over de afbeelding.
- Studenten kunnen deze oefening ook als geschreven tekst voor de volgende les voorbereiden.
Voorbeeldzinnen:
|
Hij draagt een rood T-shirt met V-hals. |
|
Ze draagt zwarte wijde broekspijpen. |
|
Ze draagt een oversized witte hoodie. |
|
Mijn favoriete stijl is casual. Ik voel me het meest comfortabel in een spijkerbroek, een T-shirt en sneakers. |
|
Ik geef de voorkeur aan een cleane en moderne stijl. Ik voel me het meest op mijn gemak in kleding die eenvoudig maar stijlvol is, zoals een nauwsluitend shirt, jeans en sneakers. |
|
Mijn favoriete stijl is elegant maar praktisch. Ik voel me het meest comfortabel in broek met wijde pijpen, een nauwsluitend topje en lichte schoenen. |
| ... |