A1.2: Je naam zeggen

Podawanie swojego imienia

Leer in deze les hoe je jezelf in het Pools voorstelt met zinnen als "Jak masz na imię?" (Hoe heet jij?) en "Nazywam się..." (Ik heet...). Ontdek ook beleefde aanspreekvormen zoals "pan" en "pani" en handige uitdrukkingen voor eerste ontmoetingen.

Oefeningen

Deze oefeningen kunnen tijdens conversatielessen samen gedaan worden of als huiswerk.

Oefening 1: Zinnen herschikken

Instructie: Maak correcte zinnen en vertaal.

Toon antwoorden
1.
na | imię? | masz | Jak
Jak masz na imię?
(Hoe heet je?)
2.
się | Jan. | Nazywam
Nazywam się Jan.
(Ik heet Jan.)
3.
Kowalski, | mi. | miło | Pan
Pan Kowalski, miło mi.
(Meneer Kowalski, aangenaam.)
4.
się | pani | nazywa? | Jak
Jak się pani nazywa?
(Hoe heet u?)
5.
Anna. | Jestem
Jestem Anna.
(Ik ben Anna.)
6.
poznać. | cię | mi | Miło
Miło mi cię poznać.
(Leuk je te ontmoeten.)

Oefening 2: Een woord matchen

Instructie: Kom de vertalingen overeen

Jak masz na imię? (Hoe heet je?)
Nazywam się Katarzyna. (Ik heet Katarzyna.)
Czy pan to pan Kowalski? (Bent u meneer Kowalski?)
Miło mi cię poznać. (Aangenaam u te ontmoeten.)

Oefening 3: Clusteren van woorden

Instructie: Wijs de gegeven woorden toe aan de juiste categorieën: aanspreektitels en woorden gerelateerd aan het geven van een naam.

Tytuły grzecznościowe

Słowa związane z podawaniem imienia

Ćwiczenie 4: Gespreksoefening

Instrukcja:

  1. Zeg de volledige naam en de achternaam van elke persoon. (Noem de volledige naam en de achternaam van elke persoon.)
  2. Speel een dialoog waarin je iemand naar hun naam vraagt en jezelf voorstelt. (Speel een dialoog waarin je iemand naar hun naam vraagt en jezelf voorstelt.)

Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten

Voorbeeldzinnen:

Nazwisko Heidi to Schulz.

De achternaam van Heidi is Schulz.

Pseudonim Heidi to Abuelita.

De bijnaam van Heidi is Abuelita.

Jak masz na imię?

Hoe heet je?

Nazywam się Sofia.

Mijn naam is Sofia.

Mam na imię Sofia Rossi.

Mijn volledige naam is Sofia Rossi.

...

Oefening 5: Gesprekskaarten

Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 6: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Jak się _____?

(Hoe heet _____?)

2. _____ się Anna.

(_____ heet Anna.)

3. Pan Kowalski _____ moim szefem.

(De heer Kowalski _____ mijn baas.)

4. Jak _____ na imię twoja koleżanka?

(Hoe _____ jouw vriendin?)

Oefening 7: Eerste ontmoeting op het werk

Instructie:

W poniedziałek rano (Przyjechać - Czas teraźniejszy) do nowej pracy. Na początku dnia (Poznać - Czas teraźniejszy) swojego szefa i kilku kolegów. Oni (Mówić - Czas teraźniejszy) mi "Dzień dobry", a ja (Odpowiadać - Czas teraźniejszy) "Dzień dobry, mam na imię Anna". Potem (Rozmawiać - Czas teraźniejszy) o projektach i planach na ten tydzień. Czuję się dobrze, bo (Uczyć się - Czas teraźniejszy) nowych rzeczy i ludzie są mili.


Op maandagochtend kom ik aan bij mijn nieuwe werk. Aan het begin van de dag leer ik kennen mijn baas en een paar collega’s. Zij zeggen tegen mij "Goedemorgen", en ik antwoord "Goedemorgen, mijn naam is Anna". Daarna praten we over projecten en plannen voor deze week. Ik voel me goed, want ik leer nieuwe dingen en de mensen zijn aardig.

Werkwoordschema's

Przyjechać - Aankomen

Czas teraźniejszy

  • ja przyjeżdżam
  • ty przyjeżdżasz
  • on/ona/ono przyjeżdża
  • my przyjeżdżamy
  • wy przyjeżdżacie
  • oni/one przyjeżdżają

Poznać - Leren kennen

Czas teraźniejszy

  • ja poznaję
  • ty poznajesz
  • on/ona/ono poznaje
  • my poznajemy
  • wy poznajecie
  • oni/one poznają

Mówić - Zeggen

Czas teraźniejszy

  • ja mówię
  • ty mówisz
  • on/ona/ono mówi
  • my mówimy
  • wy mówicie
  • oni/one mówią

Odpowiadać - Antwoorden

Czas teraźniejszy

  • ja odpowiadam
  • ty odpowiadasz
  • on/ona/ono odpowiada
  • my odpowiadamy
  • wy odpowiadacie
  • oni/one odpowiadają

Rozmawiać - Praten

Czas teraźniejszy

  • ja rozmawiam
  • ty rozmawiasz
  • on/ona/ono rozmawia
  • my rozmawiamy
  • wy rozmawiacie
  • oni/one rozmawiają

Uczyć się - Leren

Czas teraźniejszy

  • ja uczę się
  • ty uczysz się
  • on/ona/ono uczy się
  • my uczymy się
  • wy uczycie się
  • oni/one uczą się

Zie je geen vooruitgang als je alleen studeert? Bestudeer dit materiaal met een gecertificeerde docent!

Wil je vandaag Pools oefenen? Dat is mogelijk! Neem vandaag nog contact op met een van onze docenten.

Schrijf je nu in!

Lesoverzicht: Je naam vertellen in het Pools

In deze les leer je hoe je jezelf voorstelt en naar iemands naam vraagt in het Pools, een essentiële vaardigheid voor elk beginnersniveau (A1). Je maakt kennis met eenvoudige zinnen en beleefdheidsvormen die gebruikt worden bij het voorstellen in verschillende situaties, zoals op het werk, bij een conferentie of een sociale bijeenkomst.

Belangrijke uitdrukkingen en voorbeelden

  • Jak masz na imię? – Hoe heet je?
  • Nazywam się Jan. – Ik heet Jan.
  • Miło mi cię poznać. – Leuk je te ontmoeten.
  • Pan Kowalski, miło mi. – Meneer Kowalski, aangenaam.
  • Jak się pani nazywa? – Hoe heet u (beleefd, vrouwelijk)?

Beleefdheidstitels en persoonsvormen

De les introduceert ook beleefdheidstitels zoals pan (meneer), pani (mevrouw), pan młody (jongeman), en panna (mejuffrouw). Deze worden vaak gebruikt in formele situaties en zijn belangrijk om correcte aanspreekvormen te leren.

Grammaticale tips: werkwoord 'nazywać się'

Het werkwoord nazywać się wordt gebruikt om je naam te vertellen. Het vervoegt zich als volgt in de tegenwoordige tijd:

  • Ja nazywam się (Ik heet)
  • Ty nazywasz się (Jij heet)
  • On/Ona nazywa się (Hij/Zij heet)

Praktische dialogen voor verschillende situaties

Je oefent met korte gesprekken die geschikt zijn voor:

  • Eerste ontmoeting op het werk
  • Gesprekken tijdens een conferentie
  • Ontmoetingen in sociale situaties

Verschillen tussen Nederlands en Pools

In het Pools wordt bij het voorstellen vaak gebruikgemaakt van reflexieve werkwoorden zoals nazywać się, terwijl het Nederlands simpelweg 'heten' gebruikt. Daarnaast kent het Pools verschillende beleefdheidsvormen (pan, pani) die niet altijd direct in het Nederlands terugkomen. Het is daarom belangrijk om deze beleefdheidstitels goed te begrijpen om passende vormen van aanspreken te gebruiken.

Handige woordenschat:

  • imię – naam (voornaam)
  • jak – hoe
  • twoje – jouw
  • miło mi – leuk om je te ontmoeten

Deze lessen zouden niet mogelijk zijn zonder onze geweldige partners🙏