2. Woordenschat (15)

Szpital Show

Ziekenhuis Show

Apteka Show

Apotheek Show

Komisariat policji Show

Politiebureau Show

Bank Show

Bank Show

Poczta Show

Postkantoor Show

Piekarnia Show

Bakkerij Show

Biblioteka Show

Bibliotheek Show

Siłownia Show

Sportschool Show

Szkoła Show

School Show

Uczelnia Show

Hogeschool / Universiteit Show

Stacja benzynowa Show

Tankstation Show

Godziny otwarcia Show

Openingstijden Show

Wizyta Show

Bezoek Show

Czekać Show

Wachten Show

Załatwiać Show

Regelen Show

4. Oefeningen

Oefening 1: Correspondentie schrijven

Instructie: Schrijf een antwoord op het volgende bericht dat passend is voor de situatie

WhatsApp: Je krijgt een WhatsApp-bericht van een collega van het werk die je vraagt om informatie over de locatie van voorzieningen in jouw buurt en de openingstijden, en jij moet haar terugschrijven.


Cześć!

Jutro jadę do ciebie na osiedle i chcę trochę załatwiać sprawy. Możesz mi pomóc?

Gdzie jest u was apteka i przychodnia / szpital? Jest blisko poczty albo banku? Chcę też wiedzieć, jakie są godziny otwarcia. Czy są otwarte w sobotę?

Może wiesz też, o której jest otwarta siłownia na osiedlu?

Dzięki!
Asia


Hoi!

Morgen kom ik naar jouw wijk en ik moet een paar dingen regelen. Kun je me helpen?

Waar is bij jullie de apotheek en de kliniek / het ziekenhuis? Ligt het dicht bij het postkantoor of de bank? Ik wil ook graag weten wat de openingstijden zijn. Zijn ze op zaterdag open?

Weet je ook hoe laat de sportschool in de wijk open is?

Dankje!
Asia


Begrijp de tekst:

  1. O jakie miejsca (usługi) Asia pyta w wiadomości?

    (Naar welke plekken (voorzieningen) vraagt Asia in het bericht?)

  2. Co Asia chce wiedzieć o godzinach otwarcia tych miejsc?

    (Wat wil Asia weten over de openingstijden van deze plekken?)

Nuttige zinnen:

  1. Apteka jest…

    (De apotheek is…)

  2. Godziny otwarcia są od… do…

    (De openingstijden zijn van… tot…)

  3. W sobotę miejsce jest otwarte / zamknięte.

    (Op zaterdag is de plek open / gesloten.)

Cześć Asiu,

Apteka jest koło poczty, na rogu ulicy. Przychodnia jest naprzeciwko banku, obok szkoły.

Apteka jest otwarta od poniedziałku do piątku od 8 do 20, a w sobotę od 9 do 14. Przychodnia jest otwarta od poniedziałku do piątku od 7 do 18, w sobotę jest zamknięta.

Siłownia jest przy stacji benzynowej. Jest otwarta codziennie od 6 do 22.

Pozdrawiam,
[Twoje imię]

Hoi Asja,

De apotheek zit bij het postkantoor, op de hoek van de straat. De kliniek ligt tegenover de bank, naast de school.

De apotheek is geopend van maandag tot en met vrijdag van 08:00 tot 20:00, en op zaterdag van 09:00 tot 14:00. De kliniek is geopend van maandag tot en met vrijdag van 07:00 tot 18:00; op zaterdag is ze gesloten.

De sportschool bevindt zich bij het tankstation. Die is elke dag open van 06:00 tot 22:00.

Groet,
[Je naam]

Oefening 2: Een woord matchen

Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.

Przepraszam, gdzie jest najbliższa apteka na tej ulicy? (Pardon, waar is de dichtstbijzijnde apotheek in deze straat?)
Czy bank jest obok poczty, czy dalej? (Is de bank naast het postkantoor of verderop?)
Jakie są godziny otwarcia tej piekarni? (Wat zijn de openingstijden van deze bakker?)
Wczoraj długo czekałem na poczcie, żeby załatwić sprawę. (Gisteren moest ik lang wachten op het postkantoor om iets te regelen.)

Oefening 3: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Wczoraj ___ w banku, ale był zamknięty.

(Gisteren ___ bij de bank, maar die was gesloten.)

2. Dzisiaj ___ na wizytę u lekarza w szpitalu.

(Vandaag ___ op een afspraak bij de dokter in het ziekenhuis.)

3. Teraz ___ sprawę w urzędzie obok poczty.

(Nu ___ iets op het gemeentehuis naast het postkantoor.)

4. W zeszłym tygodniu ___ w bibliotece i w piekarni na rogu.

(Vorige week ___ in de bibliotheek en bij de bakker op de hoek.)

Oefening 4: Gesprekskaarten

Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 5: Reageer op de situatie

Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.

1. Jesteś z kolegą w nowym mieście. Na mapie widzisz różne miejsca. Zapytaj, gdzie jest apteka, i powiedz, dlaczego jej teraz potrzebujesz. (Użyj: apteka, gdzie jest, potrzebuję)

(Je bent met een collega in een nieuwe stad. Op de kaart zie je verschillende plaatsen. Vraag waar de apotheek is en zeg waarom je die nu nodig hebt. (Gebruik: apteka, gdzie jest, potrzebuję))

Przepraszam, gdzie jest  

(Pardon, waar is ...)

Voorbeeld:

Przepraszam, gdzie jest apteka? Potrzebuję apteki, bo boli mnie głowa.

(Pardon, waar is de apotheek? Ik heb een apotheek nodig, want ik heb hoofdpijn.)

2. Dzwonisz do banku w Polsce. Chcesz wiedzieć, w jakich godzinach bank jest otwarty w sobotę. Zadaj pytanie o godziny otwarcia. (Użyj: bank, godziny otwarcia, sobota)

(Je belt naar een bank in Polen. Je wilt weten wat de openingstijden van de bank op zaterdag zijn. Stel een vraag over de openingstijden. (Gebruik: bank, godziny otwarcia, sobota))

Jakie są  

(Wat zijn ...)

Voorbeeld:

Dzień dobry, mam pytanie. Jakie są godziny otwarcia banku w sobotę?

(Goedendag, ik heb een vraag. Wat zijn de openingstijden van de bank op zaterdag?)

3. Jesteś na uczelni. Na mapie kampusu szukasz biblioteki. Zapytaj kolegę z pracy albo ze studiów, gdzie jest biblioteka i jak tam dojść. (Użyj: biblioteka, na lewo / na prawo, prosto)

(Je bent op de universiteit. Op de campuskaart zoek je de bibliotheek. Vraag een collega of medestudent waar de bibliotheek is en hoe je ernaartoe loopt. (Gebruik: biblioteka, na lewo / na prawo, prosto))

Przepraszam, gdzie jest  

(Pardon, waar is ...)

Voorbeeld:

Przepraszam, gdzie jest biblioteka? Idę prosto i potem w lewo, tak?

(Pardon, waar is de bibliotheek? Ik ga rechtdoor en daarna links, toch?)

4. Jesteś chory i dzwonisz do szpitala. Chcesz umówić wizytę u lekarza i zapytać, czy musisz długo czekać. (Użyj: wizyta, czekać, szpital)

(Je bent ziek en belt naar het ziekenhuis. Je wilt een afspraak bij een arts maken en vragen of je lang moet wachten. (Gebruik: wizyta, czekać, szpital))

Chcę umówić wizytę  

(Ik wil een afspraak maken ...)

Voorbeeld:

Dzień dobry, chcę umówić wizytę w szpitalu. Czy muszę długo czekać na wizytę u lekarza?

(Goedendag, ik wil een afspraak maken in het ziekenhuis. Moet ik lang wachten op een afspraak bij de dokter?)

Oefening 6: Schrijfopdracht

Instructie: Schrijf 4–5 zinnen over welke voorzieningen (bijv. bank, apotheek, bakkerij) je doordeweeks gebruikt en op welke tijden je daar meestal naartoe gaat.

Nuttige uitdrukkingen:

W poniedziałek idę do… / To miejsce jest otwarte od… do… / Najczęściej korzystam z… / To jest blisko / daleko od mojego domu.

Ćwiczenie 7: Gespreksoefening

Instrukcja:

  1. Co zrobiła dziś Eva? Gdzie przeszła? (Wat heeft Eva vandaag gedaan? Waar is ze langsgekomen?)
  2. Gdzie dzisiaj byłeś? (Waar ben je vandaag geweest?)

Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten

Voorbeeldzinnen:

Eva poszła dziś rano na siłownię.

Eva is vanmorgen naar de sportschool gegaan.

Później poszła do piekarni, żeby kupić coś do jedzenia.

Daarna is ze langs de bakker gegaan om wat eten te kopen.

Ona przeszła obok banku wieczorem.

Ze is langs de bank gelopen in de avond.

Dzisiaj poszedłem do szpitala, ponieważ pracuję tam jako lekarz.

Ik ben vandaag naar het ziekenhuis gegaan omdat ik daar als arts werk.

Byłem w szkole dzisiaj rano z powodu moich dzieci.

Ik ben vanmorgen naar de school geweest vanwege mijn kinderen.

Dziś poszedłem na uniwersytet i do biblioteki.

Ik ben vandaag naar de universiteit en de bibliotheek geweest.

...