A1.4 - Getallen en tellen
Nombres et comptage
1. Taalonderdompeling
A1.4.1 Activiteit
De trappen van de Eiffeltoren tellen
3. Grammatica
A1.4.2 Grammatica
Cardinale cijfers, cardinalen: "Cent, Mille, Million"
A1.4.3 Grammatica
De getallen van 20 tot 99
Belangrijk werkwoord
Compter (tellen)
4. Oefeningen
Oefening 1: Zinnen herschikken
Instructie: Maak correcte zinnen.
Oefening 2: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. À l’examen, je ___ de zéro à cent sans problème.
(Op het examen tel ik van nul tot honderd zonder probleem.)2. En classe de français, nous ___ les étudiants : il y a vingt et un personnes.
(In de Franse les tellen we de studenten: er zijn eenentwintig personen.)3. Madame, vous ___ les livres ? Il y a quatre-vingts manuels sur la table.
(Mevrouw, telt u de boeken? Er liggen tachtig handboeken op tafel.)4. Au marché, le vendeur ___ l’argent : il a déjà cent euros.
(Op de markt telt de verkoper het geld: hij heeft al honderd euro.)Oefening 3: Gesprekskaarten
Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Acheter des fruits au marché
Client: Show Bonjour, je prends six pommes, s’il vous plaît.
(Bonjour, ik neem zes appels, alstublieft.)
Vendeur du marché: Show D’accord, six pommes… un, deux, trois, quatre, cinq, six.
(Goed, zes appels… één, twee, drie, vier, vijf, zes.)
Vendeur du marché: Show Les six pommes font trois euros.
(Die zes appels kosten drie euro.)
Client: Show Très bien, voilà trois euros, merci beaucoup.
(Heel goed, hier zijn drie euro, hartelijk dank.)
Open vragen:
1. Au marché, qu’est‑ce que vous achetez souvent, et combien vous en prenez ?
Op de markt: wat koopt u vaak en hoeveel neemt u meestal?
2. Comptez de un à dix : quels chiffres sont faciles pour vous, et quels chiffres sont difficiles ?
Tel van één tot tien: welke cijfers vindt u gemakkelijk en welke moeilijk?
Commander des cafés au travail
Collègue: Show Bonjour, on prend trois cafés et deux thés, s’il vous plaît.
(Bonjour, we nemen drie koffies en twee theeën, alstublieft.)
Serveur du café: Show Alors, je répète : trois cafés et deux thés, ça fait cinq boissons.
(Dus ik herhaal: drie koffies en twee theeën, dat is vijf drankjes.)
Collègue: Show Oui, c’est ça, cinq boissons pour nous.
(Ja, klopt, vijf drankjes voor ons.)
Serveur du café: Show Parfait, cinq boissons, j’arrive dans deux minutes.
(Perfect, vijf drankjes, ik ben er over twee minuten.)
Open vragen:
1. Au café, que commandez‑vous en général, et pour combien de personnes ?
In het café: wat bestelt u meestal en voor hoeveel personen?
2. Comptez de un à cinq et dites combien de personnes il y a dans votre famille ou votre colocation.
Tel van één tot vijf en vertel hoeveel personen er in uw gezin of flat zitten.
Oefening 4: Reageer op de situatie
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
1. Tu es à la cafétéria du travail. Tu commandes des cafés pour tes collègues. Dis au serveur combien de cafés tu veux. (Utilise : le nombre, s’il vous plaît, merci)
(Je bent in de bedrijfskantine. Je bestelt koffie voor je collega’s. Zeg tegen de ober hoeveel koffies je wilt. (Gebruik: het aantal, alstublieft, dank u))Je compte
(Ik tel ...)Voorbeeld:
Je compte quatre cafés, s’il vous plaît, merci.
(Ik tel vier koffies, alstublieft, dank u.)2. Tu donnes ton numéro de téléphone à une nouvelle collègue française. Dis ton numéro en chiffres, doucement. (Utilise : le numéro, zéro, s’il vous plaît)
(Je geeft je telefoonnummer aan een nieuwe Franse collega. Zeg je nummer cijfer voor cijfer, rustig. (Gebruik: het nummer, nul, alstublieft))Mon numéro, c’est
(Mijn nummer is ...)Voorbeeld:
Mon numéro, c’est zéro six dix-sept quinze quatorze douze.
(Mijn nummer is nul zes zeventien vijftien veertien twaalf.)3. Tu es au supermarché. Tu pèses des pommes et tu expliques au vendeur combien de pommes tu as. (Utilise : les pommes, le nombre, ici)
(Je bent in de supermarkt. Je weegt appels en vertelt de verkoopster hoeveel appels je hebt. (Gebruik: de appels, het aantal, hier))J’ai
(Ik heb ...)Voorbeeld:
J’ai six pommes ici.
(Ik heb hier zes appels.)4. Tu réserves une petite salle de réunion au travail. Tu expliques au réceptionniste combien de personnes viennent. (Utilise : les personnes, le nombre, réunion)
(Je reserveert een kleine vergaderruimte op het werk. Je legt aan de receptioniste uit hoeveel personen komen. (Gebruik: de personen, het aantal, vergadering))Nous sommes
(We zijn ...)Voorbeeld:
Nous sommes dix pour la réunion.
(We zijn met tien voor de vergadering.)Oefening 5: Schrijfopdracht
Instructie: Schrijf 4 of 5 zinnen waarin je uitlegt hoe jij een vervoersbewijs koopt (metro, bus of trein) en welke nummers je op de automaat of op het kaartje ziet.
Nuttige uitdrukkingen:
Je vais à la machine pour… / Le prix est de… euros. / Je choisis… tickets / billets. / Sur le ticket, je vois les nombres…
Exercice 6: Gespreksoefening
Instruction:
- Lisez les tâches de calcul à voix haute et résolvez-les. (Lees de rekentaken hardop voor en los ze op.)
- Donnez une tâche de calcul aux autres. (Geef een rekentaak aan de anderen.)
Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten
Instructies voor de leraar
- Lees de voorbeeldzinnen hardop voor.
- Beantwoord de vragen over de afbeelding.
- Studenten kunnen deze oefening ook als geschreven tekst voor de volgende les voorbereiden.
Voorbeeldzinnen:
|
Dix plus deux égale douze. Tien plus twee is twaalf. |
|
Dix moins deux égale huit. Tien min twee is acht. |
|
Dix fois deux égale vingt. Tien keer twee is twintig. |
|
Dix divisé par deux égale cinq. Tien gedeeld door twee is vijf. |
|
Une douzaine est douze. Een dozijn is twaalf. |
| ... |