1. Taalonderdompeling

2. Woordenschat (20)

De minuut

De minuut Show

De minuut Show

Het uur

Het uur Show

Het uur Show

Het kwartier

Het kwartier Show

Het kwartier Show

Het moment

Het moment Show

Het moment Show

De middag

De middag Show

De middag Show

Middernacht

Middernacht Show

Middernacht Show

De tijd

De tijd Show

De tijd Show

Het is...

Het is... Show

Het is... Show

Het is één uur.

Het is één uur. Show

Het is één uur. Show

Hoe laat is het?

Hoe laat is het? Show

Hoe laat is het? Show

Half drie

Half drie Show

Half drie Show

Kwart over

Kwart over Show

Kwart over Show

Kwart voor

Kwart voor Show

Kwart voor Show

Vijf over

Vijf over Show

Vijf over Show

Vijf voor

Vijf voor Show

Vijf voor Show

Vroeg

Vroeg Show

Vroeg Show

Stipt

Stipt Show

Stipt Show

Laat

Laat Show

Laat Show

Aankomen

Aankomen Show

Aankomen Show

Vertrekken

Vertrekken Show

Vertrekken Show

3. Grammatica

Belangrijk werkwoord

Vertrekken (vertrekken)

Belangrijk werkwoord

Aankomen (aankomen)

4. Oefeningen

Oefening 1: Examenvoorbereiding

Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder


Dienstregeling bushalte Laan van Europa

Woorden om te gebruiken: vertrekt, middernacht, kwart, half, ochtend, kwart, klok, tijd

(Dienstregeling bushalte Laan van Europa)

Bij bushalte Laan van Europa hangt een grote blauwe . Veel mensen kijken daar naar de . Op maandag tot en met vrijdag bus 15 elke dertig minuten. De eerste bus in de ochtend vertrekt om vijf voor zeven; de volgende bus is om acht. In de middag rijdt de bus ook vaak. De bus van over acht is belangrijk: dan gaan veel kinderen naar school en veel mensen naar het werk. In de avond vertrekt de laatste bus om voor twaalf. Na rijden er geen bussen meer; reizigers moeten dan wachten tot de volgende .

  1. Waarom is de bus van kwart over acht belangrijk?

  2. Hoe laat vertrekt de eerste bus in de ochtend?

  3. Gebruik jij vaak de bus in jouw eigen woonplaats? Vertel kort over jouw ervaring.

Oefening 2: Een woord matchen

Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.

Hoe laat is het, de vergadering begint om half drie.
Het is kwart over drie, ik moet nu naar mijn afspraak.
De trein vertrekt om vijf voor acht, dus ik kom niet te laat aan.
Ik kom liever vroeg, om stipt één uur ben ik daar.

Oefening 3: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. De trein naar Amsterdam vertrekt om half negen, hij ___ altijd stipt.


2. De bus ___ om kwart over acht aan, hij komt vaak te laat aan.


3. Ik ___ om vijf voor drie van mijn werk, want om drie uur heb ik een afspraak.


4. Hoe laat ___ jij morgen aan op kantoor? Ik denk dat ik om tien over negen aankom.


Oefening 4: Gesprekskaarten

Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 5: Reageer op de situatie

Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.

1. Je bent op je werk. Je collega wil een korte meeting doen, maar jij moet om een andere tijd weg. Vraag hoe laat de meeting precies is en zeg ook wanneer jij weg moet. (Gebruik: Hoe laat is het?, Het is..., stipt)

Hoe laat is het     ,

Voorbeeld:

Hoe laat is het precies? Het is voor mij belangrijk dat we stipt beginnen, want ik moet om vier uur weg.

2. Je zit in de trein naar Amsterdam. Je partner stuurt een bericht: "Wanneer kom je aan?" Antwoord en zeg ook hoe laat de trein vertrekt. (Gebruik: aankomen, vertrekken, Het is...)

Ik kom aan om     ,

Voorbeeld:

Ik kom aan om half drie. De trein vertrekt om twee uur.

3. Je hebt om de middag een afspraak bij de huisarts. De assistent vraagt: "Hoe laat kunt u komen?" Antwoord en zeg op welke tijd jij graag een afspraak wilt. (Gebruik: de middag, kwart over, kwart voor)

In de middag kan ik    

Voorbeeld:

In de middag kan ik goed. Kunt u de afspraak op kwart over twee zetten?

4. Je spreekt met een vriend af om samen te sporten. Jij komt meestal laat. Nu wil je zeggen dat je echt op tijd komt. Zeg hoe laat je er bent en dat je niet laat komt. (Gebruik: laat, vroeg, stipt)

Ik ben niet laat     ,

Voorbeeld:

Ik ben niet laat vandaag. Ik ben om zeven uur daar, stipt op tijd.

Oefening 6: Schrijfopdracht

Instructie: Schrijf 4 of 5 zinnen over je reis naar je werk of naar school: hoe laat vertrek je van huis en hoe laat kom je aan?

Nuttige uitdrukkingen:

Hoe laat vertrekt de bus? / Ik vertrek om ... uur van huis. / Ik kom om ... uur op mijn werk / op school aan. / In de ochtend / middag / avond reis ik met de bus / trein / auto.

Oefening 7: Gespreksoefening

Instructie:

  1. Hoe laat is het op de foto's? (Hoe laat is het op de foto's?)
  2. Hoe laat is het op dit moment? (Hoe laat is het nu?)

Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten

Voorbeeldzinnen:

Het is half 4.

Het is vier uur in de middag.

Het is kwart voor twaalf.

Het is tien over vijf.

Het is kwart over tien in de ochtend.

Het is één uur 's nachts.

...