Voorzetsels zoals 'om', 'door', en 'met' geven een reden, oorzaak, doel of middel aan.

TypeVoorzetselVoorbeeld
RedenomHij lachte om die goede grap.
OorzaakdoorDoor de regen wordt het meisje helemaal nat.
DoelaanIk geef eten aan de honden.
DoelnaarIk ga met vakantie naar Italië.
DoelomEen pen gebruik je om te schrijven.
MiddelmetHet meisje gaat met de bus naar school.
MiddelopHij gaat op de fiets naar muziekles.

Uitzonderingen!

  1. 'Om' wordt gebruikt voor zowel reden als doel.

Oefening 1: Voorzetsels Om, door, aan, naar, met,...

Instructie: Vul het juiste woord in.

Toon vertaling Toon antwoorden

aan, Door, om, door, naar

1.
... het wandelen voel ik mij terug rustig.
(Door het wandelen voel ik mij terug rustig.)
2.
Ik geef een knuffel ... mijn moeder, omdat ze verdrietig is.
(Ik geef een knuffel aan mijn moeder, omdat ze verdrietig is.)
3.
Ik ben blij, want we vertrekken ... Spanje
(Ik ben blij, want we vertrekken naar Spanje)
4.
Ik stuur een kaart ... mijn oma. Dat maakt haar gelukkig.
(Ik stuur een kaart naar mijn oma. Dat maakt haar gelukkig.)
5.
Op school lacht iedereen ... de mop van de leraar.
(Op school lacht iedereen om de mop van de leraar.)
6.
Ik ben zenuwachtig ... het examen.
(Ik ben zenuwachtig door het examen.)
7.
... de harde wind ben ik een beetje bang.
(Door de harde wind ben ik een beetje bang.)
8.
Ik ben boos, want de trein ... mijn werk is altijd te laat.
(Ik ben boos, want de trein naar mijn werk is altijd te laat.)

Oefening 2: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. Ik lach ___ de grap van mijn collega, want hij is zo blij vandaag.


2. Ik ben zenuwachtig ___ het belangrijke sollicitatiegesprek vanmiddag.


3. Ik ga ___ de coach ___ over mijn stress op het werk te praten.


4. Ik bel je ___ mijn mobiele telefoon ___ te vragen hoe je je voelt na de vergadering.


Oefening 3: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen. Voeg een reden, oorzaak, doel of middel toe met het juiste voorzetsel: om, door, aan, naar of met. Kijk naar het woord in de haakjes.

Toon/verberg hints
  1. Hint Hint (om) Ik lach. (reden)
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Ik lach om die leuke film.
  2. Hint Hint (door) De straat is nat. (oorzaak: regen)
    ⇒ _______________________________________________ Example
    De straat is nat door de regen.
  3. Hint Hint (aan) Ik geef een cadeautje. (doel: mijn collega)
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Ik geef een cadeautje aan mijn collega.
  4. Hint Hint (naar) Wij gaan op vakantie. (doel: Italië)
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Wij gaan op vakantie naar Italië.
  5. Hint Hint (om) Ik gebruik mijn laptop. (doel: werken)
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Ik gebruik mijn laptop om te werken.
  6. Hint Hint (met) Zij gaat naar haar werk. (middel: de trein)
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Zij gaat met de trein naar haar werk.

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Kato De Paepe

Zakendoen en talen

KdG University of Applied Sciences and Arts Antwerp

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

vrijdag, 09/01/2026 08:54