A1.4.1 - Dure boodschappenprijzen
Dure boodschappenprijzen
Oefening 1: Taalonderdompeling
Instructie: Herken de aangegeven woordenschat in de video.
| Woord |
|---|
| Zesentachtig euro en zeventien cent |
| Duurder |
| Tien cent |
| De prijs |
| Negenennegentig cent |
| Eén euro en negenenveertig cent |
| De rekening |
| Zesentachtig euro en zeventien cent. |
| Daar kun je niets van zeggen. |
| Wat is voor jou allemaal duurder geworden? |
| Koekjes zijn tien cent duurder. |
| Volkorenbeschuit is ook duurder geworden. |
| Bananen kostten eerst negenennegentig cent, maar nu één euro en negenenveertig cent. |
| Het is vervelend: je winkelwagen wordt steeds leger, terwijl de rekening steeds hoger wordt. |
| Dat zullen veel mensen herkennen. |
Begripsvragen:
-
Hoeveel cent zijn de koekjes duurder geworden?
(Met hoeveel cent zijn de koekjes duurder geworden?)
-
Wat was de oude prijs van de bananen en wat is de nieuwe prijs?
(Wat was de oude prijs van de bananen en wat is de nieuwe prijs?)
-
Wat gebeurt er met de winkelwagen en de rekening volgens de tekst?
(Wat gebeurt er met de winkelwagen en de rekening volgens de tekst?)
Oefening 2: Dialoog
Instructie: Lees de dialoog en beantwoord de vragen.
Cijfers en tellen in de supermarkt
| 1. | Sara: | Mike, alles is zo duur hier. |
| 2. | Mike: | Ja? Wat bedoel je? |
| 3. | Sara: | Kijk, de melk kost €1,80. |
| 4. | Mike: | Echt? Dat is inderdaad duur. |
| 5. | Sara: | En vijf appels kosten €2,50. |
| 6. | Mike: | Wow… en het sap? |
| 7. | Sara: | Één liter sap kost ook €1,80. Dat is veel geld. |
| 8. | Mike: | Die winkelwagen wordt steeds leger en de rekening steeds hoger. |
| 9. | Sara: | Ik stel voor dat we deze week bezuinigen. |
1. Waar zijn Sara en Mike?
2. Hoeveel kosten vijf appels?
Oefening 3: Openingsvragen voor gesprekken
Instructie: Beantwoord de vragen en corrigeer ze met je leraar.
-
U bent in de supermarkt en ziet melk. Hoeveel kost de melk en koopt u één pak of twee pakken? Waarom?
__________________________________________________________________________________________________________
-
U koopt fruit voor op kantoor: vijf appels en drie bananen. Hoe vraagt u in het Nederlands naar de prijs van het fruit?
__________________________________________________________________________________________________________
-
De kassamedewerker zegt: “Dat is €18,50.” Hoe controleert u of de prijs klopt en hoeveel producten heeft u ongeveer? Noem een aantal.
__________________________________________________________________________________________________________
-
U belt een collega en geeft uw telefoonnummer. Spelt u uw nummer rustig in het Nederlands, cijfer voor cijfer (0–9).
__________________________________________________________________________________________________________
Oefen deze dialoog met een echte leraar!
Deze dialoog maakt deel uit van ons leermateriaal. Tijdens onze conversatielessen oefen je de situaties met een docent en andere studenten.
- Implementeert ERK-, DELE-examen en Cervantes-richtlijnen
- Ondersteund door de universiteit van Siegen