1. Taalonderdompeling

2. Woordenschat (21)

Książka Show

Boek Show

Zdjcie Show

Foto Show

Rysunek Show

Tekening Show

Fotografia Show

Fotografie Show

Kamera Show

Camera Show

Instrument Show

Instrument Show

Przyjaciel Show

Vriend Show

Znajomy Show

Kennis Show

Czas wolny Show

Vrije tijd Show

Hobby Show

Hobby Show

Podróż Show

Reis Show

Podróżowanie Show

Reizen Show

Malowanie Show

Schilderen Show

Czytanie Show

Lezen Show

Słuchanie muzyki Show

Muziek luisteren Show

Spotykać się Show

Afspraken maken / Afspreken Show

Iść na spacer Show

Wandelen gaan Show

Spędzać czas z rodziną Show

Tijd met het gezin doorbrengen Show

Zajmować się

Zajmować się Show

Zich bezig houden met Show

Czytać Show

Lezen (werkwoord) Show

Podróżować Show

Reizen (werkwoord) Show

4. Oefeningen

Oefening 1: Examenvoorbereiding

Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder


Ankieta firmowa: hobby pracowników

Woorden om te gebruiken: czasie wolnym, pracy, instrumencie, malowanie, czasie, podróżami, rodziną, czytanie, słuchanie muzyki, idziesz na spacer

(Bedrijfsenquête: hobby's van medewerkers)

Nasza firma robi krótką ankietę o . Chcemy wiedzieć, co pracownicy robią po . Dzięki temu lepiej planujemy spotkania integracyjne. W ankiecie pytamy: „Co lubisz robić w wolnym ?”, „Czy wolisz spędzać czas z , czy z przyjaciółmi?”, „Czy często ?”.

Wyniki z zeszłego roku są ciekawe. Większość osób lubi i . Wiele osób interesuje się też sportem i . Część pracowników ma twórcze hobby: , fotografia, gra na . Teraz planujemy nowe zajęcia po pracy: klub książki, kurs gotowania i wspólne wyjścia na spacer po pracy.
Ons bedrijf houdt een korte enquête over vrije tijd. We willen weten wat medewerkers na het werk doen. Daardoor kunnen we teambijeenkomsten beter plannen. In de enquête vragen we: “Wat doe je graag in je vrije tijd?”, “Breng je liever tijd door met je familie of met vrienden?”, “Ga je vaak wandelen?”.

De resultaten van vorig jaar zijn interessant. De meeste mensen luisteren graag naar muziek en lezen. Veel mensen zijn ook geïnteresseerd in sport en reizen. Een deel van de medewerkers heeft creatieve hobby’s: schilderen, fotografie, een instrument bespelen. Nu plannen we nieuwe activiteiten na het werk: een boekenclub, een kookcursus en gezamenlijke wandelingen.

  1. Co twoim zdaniem jest najpopularniejszym hobby w tej firmie?

    (Wat denk jij dat het populairste hobby in dit bedrijf is?)

  2. Jakie zajęcia po pracy planuje teraz firma?

    (Welke activiteiten na het werk plant het bedrijf nu?)

  3. Jak ty lubisz spędzać czas wolny po pracy? Opowiedz krótko.

    (Hoe breng jij het liefst je vrije tijd na het werk door? Vertel kort.)

Oefening 2: Een woord matchen

Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.

W wolnym czasie lubię czytać książki o podróżach. (In mijn vrije tijd lees ik graag boeken over reizen.)
Teraz często słucham muzyki po pracy w domu. (Tegenwoordig luister ik vaak naar muziek thuis na het werk.)
Wcześniej rzadko chodziłem na spacer, teraz robię to codziennie. (Vroeger maakte ik zelden een wandeling, nu doe ik dat elke dag.)
Lubię spędzać czas z rodziną, potem oglądamy stare zdjęcia. (Ik breng graag tijd door met mijn familie, daarna kijken we naar oude foto’s.)

Oefening 3: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Teraz w pracy mam przerwę i spokojnie ___ ciekawą książkę o podróżach.

(Ik heb nu pauze op het werk en lees rustig een interessante ___ over reizen.)

2. Wcześniej w ogóle nie ___, bo dużo pracuję i nie mam czasu na urlop.

(Eerder ___ ik helemaal niet, omdat ik veel werk en geen tijd voor vakantie heb.)

3. Po pracy często spotykam się z przyjaciółmi, a potem w domu ___ jeszcze trochę przed snem.

(Na het werk spreek ik vaak af met vrienden en daarna ___ ik thuis nog even voor het slapengaan.)

4. Teraz rzadko ___, ale później chcę częściej podróżować z rodziną po Polsce.

(Nu ___ ik zelden, maar later wil ik vaker met mijn gezin door Polen reizen.)

Oefening 4: Gesprekskaarten

Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 5: Reageer op de situatie

Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.

1. Jesteś w nowej pracy. Kolega z biura pyta: „Co lubisz robić po pracy?” Odpowiedz całym zdaniem. (Użyj: hobby, lubię, w wolnym czasie)

(Je bent in een nieuwe baan. Een collega op kantoor vraagt: "Wat doe je graag na het werk?" Beantwoord met een hele zin. (Gebruik: hobby, ik houd van, in mijn vrije tijd))

Moje hobby to  

(Mijn hobby is ...)

Voorbeeld:

Moje hobby to czytanie i słuchanie muzyki.

(Mijn hobby is lezen en naar muziek luisteren.)

2. Jesteś u znajomych na kolacji. Gospodarz pokazuje ci nową gitarę i pyta: „Grasz na jakimś instrumencie?” Powiedz krótko o sobie. (Użyj: instrument, gram na, lubię muzykę)

(Je bent bij vrienden voor het avondeten. De gastheer laat je zijn nieuwe gitaar zien en vraagt: "Speel je een instrument?" Vertel kort over jezelf. (Gebruik: instrument, ik speel, ik houd van muziek))

Gram na  

(Ik speel ...)

Voorbeeld:

Gram na gitarze i bardzo lubię muzykę.

(Ik speel gitaar en ik houd erg van muziek.)

3. Rozmawiasz z koleżanką z pracy o weekendzie. Ona pyta: „Co robisz w weekend z rodziną?” Odpowiedz jednym lub dwoma prostymi zdaniami. (Użyj: spędzać czas z rodziną, lubię, w weekend)

(Je praat met een collega over het weekend. Zij vraagt: "Wat doe je in het weekend met je gezin?" Beantwoord met één of twee eenvoudige zinnen. (Gebruik: tijd doorbrengen met familie, ik houd van, in het weekend))

W weekend spędzam czas  

(In het weekend breng ik tijd door met ...)

Voorbeeld:

W weekend spędzam czas z rodziną, idziemy na spacer do parku.

(In het weekend breng ik tijd door met mijn familie; we gaan wandelen in het park.)

4. Piszesz krótką wiadomość do przyjaciela z kursu językowego. Chcesz zaproponować wspólne wyjście w sobotę. (Użyj: przyjaciel, spotykać się, iść na spacer)

(Je schrijft een kort berichtje naar een vriend van de taalcursus. Je wilt voorstellen om elkaar zaterdag te ontmoeten. (Gebruik: vriend, elkaar ontmoeten, gaan wandelen))

Chcę się spotkać  

(Ik wil elkaar ontmoeten ...)

Voorbeeld:

Chcę się spotkać z przyjacielem w sobotę i iść na spacer po mieście.

(Ik wil zaterdag met een vriend afspreken en door de stad gaan wandelen.)

Oefening 6: Schrijfopdracht

Instructie: Schrijf 4–5 zinnen over je hobby en over wat je graag doet in je vrije tijd na het werk of na de lessen.

Nuttige uitdrukkingen:

W wolnym czasie lubię… / Moim hobby jest… / Najczęściej spotykam się z… / Po pracy chętnie idę…

Ćwiczenie 7: Gespreksoefening

Instrukcja:

  1. Opisz hobby na każdym zdjęciu. (Beschrijf de hobby in elke afbeelding.)
  2. Jakie jest twoje ulubione zajęcie? (Wat is je favoriete activiteit?)
  3. – Jaki jest twój ulubiony sposób spędzania wolnego czasu? – Moim ulubionym hobby jest czytanie książek. A twoim? (Maak een dialoog waarin je naar de favoriete hobby vraagt.)

Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten

Voorbeeldzinnen:

Kobieta śpiewa.

De vrouw zingt.

Oni są aktywni i uprawiają sport.

Ze zijn actief en doen aan sport.

Bardzo lubię słuchać muzyki.

Ik luister heel graag naar muziek.

Co lubisz robić?

Wat doe je graag?

Lubię czytać.

Ik lees graag.

Lubię malować.

Ik hou van schilderen.

...