1. Nauka przez zanurzenie w języku

A2.39.1 Opowiadanie

Jak rozwijać zespół

2. Słownictwo (11)

De teamgenoot

De teamgenoot Pokaż

Członek zespołu Pokaż

De werknemer

De werknemer Pokaż

Pracownik Pokaż

Het lid

Het lid Pokaż

Członek Pokaż

Het teamwerk

Het teamwerk Pokaż

Praca zespołowa Pokaż

De communicatie

De communicatie Pokaż

Komunikacja Pokaż

Het overleg

Het overleg Pokaż

Omówienie / narada Pokaż

Creatief

Creatief Pokaż

Kreatywny Pokaż

Communiceren

Communiceren Pokaż

Komunikować się Pokaż

Samenwerken

Samenwerken Pokaż

Współpracować Pokaż

Een fout maken

Een fout maken Pokaż

Popełnić błąd Pokaż

Winnen

Winnen Pokaż

Wygrać Pokaż

3. Gramatyka

4. Ćwiczenia

Ćwiczenie 1: Przygotowanie do egzaminu

Instrukcja: Read the text, fill in the gaps with the missing words, and answer the questions below Przeczytaj tekst, uzupełnij luki brakującymi wyrazami i odpowiedz na poniższe pytania.


Teamvergadering bij een IT‑bedrijf

Słowa do użycia: collega’s, creatief, teamgenoten, samen, winnen, fouten, overleg, communiceer

(Spotkanie zespołu w firmie IT)

Elke maandag heeft het IT‑bedrijf TechPoint een korte teamvergadering. De zitten rond de tafel en de projectleider opent het . Hij zegt: “Blijf bij het onderwerp en luister goed naar elkaar. Help je als iemand een probleem heeft. Maak notities en stuur mij daarna een korte e‑mail.” De werknemers bespreken de planning voor deze week en verdelen het werk.

Aan het einde van de vergadering vraagt de projectleider: “Werk samen aan de nieuwe app en duidelijk met de klant. Maak geen grote , controleer je werk. Heb je een idee? Wees en vertel het in de volgende meeting.” Zo probeert het team beter te werken en de kans om het project te te vergroten.
W każdy poniedziałek firma IT TechPoint ma krótkie spotkanie zespołu. Członkowie zespołu siedzą przy stole, a kierownik projektu otwiera naradę. Mówi: „Trzymajcie się tematu i uważnie słuchajcie się nawzajem. Pomagajcie kolegom, gdy ktoś ma problem. Zróbcie notatki i potem wyślijcie mi krótkiego e-maila.” Pracownicy omawiają plan na ten tydzień i rozdzielają zadania.

Pod koniec spotkania kierownik projektu pyta: „Pracujcie razem nad nową aplikacją i jasno komunikujcie się z klientem. Nie popełniajcie poważnych błędów, sprawdzajcie swoją pracę. Macie jakiś pomysł? Bądźcie kreatywni i opowiedzcie o nim na następnym spotkaniu.” W ten sposób zespół stara się lepiej współpracować i zwiększyć szanse na wygranie projektu.

  1. Wat doen de werknemers tijdens de teamvergadering bij TechPoint?

    (Co robią pracownicy podczas spotkania zespołu w TechPoint?)

  2. Welke opdrachten geeft de projectleider aan het team? Noem er minstens twee.

    (Jakie polecenia wydaje kierownik projektu zespołowi? Wymień przynajmniej dwa.)

  3. Waarom vraagt de projectleider om duidelijk te communiceren met de klant?

    (Dlaczego kierownik projektu prosi o jasną komunikację z klientem?)

  4. Hoe ziet een typische vergadering of teamoverleg er in jouw werk of studie uit?

    (Jak wygląda typowe spotkanie lub narada zespołowa w Twojej pracy lub na studiach?)

Ćwiczenie 2: Wielokrotny wybór

Instrukcja: Wybierz poprawne rozwiązanie

1. ___ jullie mij even met het overleg voor het nieuwe team?

(___ mi pomóc przy przygotowaniu spotkania dla nowego zespołu?)

2. ___ u tot het einde van de teamvergadering in deze vergaderzaal.

(___ zostać w tej sali konferencyjnej do końca zebrania zespołu.)

3. ___ je teamgenoot en maak deze fout niet nog een keer.

(___ koledze i nie popełniaj tego błędu ponownie.)

4. ___ samen met je collega’s en blijf niet alleen op je eigen eiland.

(___ z kolegami i nie zamykaj się na swoim własnym „wyspie”.)

Ćwiczenie 3: Karty dialogowe

Instrukcja: Wybierz sytuację i przećwicz rozmowę z nauczycielem lub kolegami z klasy.

Ćwiczenie 4: Zareaguj na sytuację

Instrukcja: Ćwiczenia w parach lub z nauczycielem.

1. Je werkt in een klein projectteam op kantoor. Jij ziet dat een nieuwe collega stil is in het overleg. Zeg in de vergadering dat deze teamgenoot ook iets mag zeggen en nodig hem of haar uit om mee te doen. (Gebruik: De teamgenoot, samenwerken, iets vragen)

(Pracujesz w małym zespole projektowym w biurze. Widzisz, że nowy kolega jest cichy podczas spotkania. Powiedz na zebraniu, że ten członek zespołu też może coś powiedzieć i zaproś go lub ją do udziału. (Użyj: De teamgenoot, samenwerken, iets vragen))

Ik wil dat  

(Ik wil dat ...)

Przykład:

Ik wil dat de teamgenoot ook iets zegt. Misschien kan jij even vertellen hoe jij wilt samenwerken?

(Ik wil dat de teamgenoot ook iets zegt. Misschien kan jij even vertellen hoe jij wilt samenwerken?)

2. Je bent de projectleider. Een werknemer uit jouw team maakt steeds dezelfde fout in een rapport. Leg rustig uit wat de fout is en wat hij of zij de volgende keer anders moet doen. (Gebruik: De werknemer, een fout maken, uitleggen)

(Jesteś kierownikiem projektu. Pracownik z Twojego zespołu ciągle popełnia ten sam błąd w raporcie. Wyjaśnij spokojnie, na czym polega błąd i co powinien zrobić inaczej następnym razem. (Użyj: De werknemer, een fout maken, uitleggen))

Met de werknemer  

(Met de werknemer ...)

Przykład:

Met de werknemer wil ik eerst rustig praten. Jij maakt nu vaak dezelfde fout in het rapport, kun je de cijfers de volgende keer nog een keer controleren?

(Met de werknemer wil ik eerst rustig praten. Jij maakt nu vaak dezelfde fout in het rapport, kun je de cijfers de volgende keer nog een keer controleren?)

3. Jij en je collega’s zijn lid van een sportteam van het bedrijf. Jullie verliezen vaak. Zeg in de kleedkamer wat jullie als team kunnen veranderen om meer te winnen. (Gebruik: Het lid, winnen, beter trainen)

(Ty i Twoi koledzy jesteście członkami firmowej drużyny sportowej. Często przegrywacie. Powiedz w szatni, co możecie zmienić jako zespół, żeby częściej wygrywać. (Użyj: Het lid, winnen, beter trainen))

Elk lid kan  

(Elk lid kan ...)

Przykład:

Elk lid kan meer komen trainen en beter luisteren in het veld. Dan kunnen we misschien de volgende wedstrijd wél winnen.

(Elk lid kan meer komen trainen en beter luisteren in het veld. Dan kunnen we misschien de volgende wedstrijd wél winnen.)

4. Je hebt morgen een belangrijk overleg met jouw team. Je vindt de communicatie nu niet zo goed. Schrijf of zeg tegen je collega wat jullie morgen anders willen doen in de communicatie in het team. (Gebruik: De communicatie, duidelijk, vragen stellen)

(Masz jutro ważne spotkanie z zespołem. Uważasz, że komunikacja teraz nie jest najlepsza. Napisz lub powiedz kolegom, co chcecie jutro zmienić w komunikacji zespołowej. (Użyj: De communicatie, duidelijk, vragen stellen))

De communicatie moet  

(De communicatie moet ...)

Przykład:

De communicatie moet morgen duidelijker zijn. Laten we korte vragen stellen en goed samenvatten wat we afspreken, dan werkt het team beter samen.

(De communicatie moet morgen duidelijker zijn. Laten we korte vragen stellen en goed samenvatten wat we afspreken, dan werkt het team beter samen.)

Ćwiczenie 5: Ćwiczenie pisemne

Instrukcja: Napisz 5 lub 7 zdań o zespole, z którym pracujesz (lub pracowałeś) i wyjaśnij, jakie macie zadania oraz jakie polecenia często sobie dajecie.

Przydatne wyrażenia:

Ik werk samen met mijn collega’s aan … / Mijn taak in het team is … / Wij geven elkaar vaak de opdracht om … / Goede communicatie is belangrijk, omdat …

Oefening 6: Ćwiczenie z konwersacji

Instructie:

  1. Werk je alleen of in een team in je baan? (Czy w swojej pracy działasz samodzielnie, czy w zespole?)
  2. Wat geef je de voorkeur en waarom? (Co wolisz i dlaczego?)
  3. Wat zijn belangrijke waarden van teamwork? (Jakie są ważne wartości pracy zespołowej?)

Wytyczne nauczania +/- 10 minut

Przykładowe zwroty:

Soms werk ik in een team, soms alleen. Het hangt af van de taak.

Czasami pracuję w zespole, czasami samodzielnie. To zależy od zadania.

Ik werk in een team. We helpen elkaar elke dag.

Pracuję w zespole. Wspieramy się nawzajem każdego dnia.

Teamwerk is beter voor mij. Ik leer van anderen.

Praca zespołowa jest dla mnie lepsza. Uczę się od innych.

Ik werk liever alleen. Ik houd niet van te veel lawaai.

Wolę pracować sam. Nie lubię zbyt dużego hałasu.

Respect is belangrijk. We moeten naar elkaar luisteren.

Szacunek jest ważny. Musimy słuchać się nawzajem.

Goede communicatie helpt. We praten en begrijpen beter.

Dobra komunikacja pomaga. Rozmawiamy i lepiej się rozumiemy.

...