1. Taalonderdompeling

2. Woordenschat (11)

De kom Show

De kom Show

Het bord Show

Het bord Show

Het glas Show

Het glas Show

Het bestek Show

Het bestek Show

De lepel Show

De lepel Show

Het mes Show

Het mes Show

De vork Show

De vork Show

De tas Show

De tas Show

De pan Show

De pan Show

De pot Show

De pot Show

Afwassen Show

Afwassen Show

4. Oefeningen

Oefening 1: Examenvoorbereiding

Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder


Uitnodiging: Diner bij Lisa thuis

Woorden om te gebruiken: af, glas, kommen, bord, wast, lepel, vork, pot, mes, pan, bestek

(Uitnodiging: Diner bij Lisa thuis)

Aanstaande zaterdag geeft Lisa een etentje voor haar nieuwe collega’s. Ze wil de tafel mooi dekken. Op de grote tafel in de woonkamer legt ze eerst een wit tafelkleed. Voor elke stoel zet ze een . Rechts van het bord legt ze een en een , links legt ze een . Boven het bord staat een voor water.

In de keuken kookt Lisa soep in een en pasta in een grote . Ze zet de en tassen klaar op het aanrecht. Na het eten ze alles met haar partner. Hij droogt het en zet het terug in de lade. Zo is de keuken weer snel netjes en klaar voor de volgende dag.

  1. Waar liggen het mes en de vork op de tafel van Lisa?

  2. Wat kookt Lisa in de keuken voor haar gasten?

  3. Hoe ziet jouw tafel eruit als je gasten krijgt? Vertel.

Oefening 2: Een woord matchen

Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.

Ik leg de borden op de tafel voor de gasten.
De vork ligt links naast het bord.
Zet je de glazen naast de borden, bij het water?
Na het eten wassen we samen het bestek af.

Oefening 3: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Ik ___ het brood op het aanrecht en leg de plakken op een bord.


2. Jij ___ de kaas in kleine stukjes op de plank naast de pan.


3. Hij ___ de groenten in de kom en zet de kom op tafel tussen de borden.


4. Wij ___ het vlees op het bord voor de gast en leggen het bestek naast het bord.


Oefening 4: Gesprekskaarten

Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 5: Reageer op de situatie

Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.

1. Je krijgt bezoek van een collega. Jullie eten samen pasta bij jou thuis. Vraag of je collega je wil helpen de tafel te dekken. (Gebruik: Het bord, De vork, helpen)

Kun jij het bord  

Voorbeeld:

Kun jij het bord en de vork op tafel zetten, alsjeblieft?

2. Je bent bij vrienden op bezoek. Jij helpt in de keuken. Vraag waar je de lepels kunt vinden. (Gebruik: De lepel, De lade, weten)

Waar liggen de lepel  

Voorbeeld:

Waar liggen de lepels? Ik wil graag de tafel dekken.

3. Je bent op je werk. In de lunchruimte wil je soep eten, maar je ziet geen kom. Vraag een collega om een kom. (Gebruik: De kom, De soep, mogen)

Mag ik de kom  

Voorbeeld:

Mag ik de kom voor de soep gebruiken?

4. Je hebt een klein diner thuis met vrienden. De vaatwasser is vol. Vertel een vriend dat jij het bestek afwast, en vraag of hij de glazen droogt. (Gebruik: Het bestek, Afwassen, Het glas, samen)

Ik was het bestek  

Voorbeeld:

Ik was het bestek af, wil jij de glazen drogen?

Oefening 6: Schrijfopdracht

Instructie: Schrijf 4 of 5 zinnen over hoe jij de tafel dekt als vrienden of collega’s op bezoek komen.

Nuttige uitdrukkingen:

Ik leg het bord op ... / Rechts van het bord ligt ... / Op de tafel staat ... / Na het eten doe ik ...

Oefening 7: Gespreksoefening

Instructie:

  1. Vraag om een voorwerp dat je nodig hebt door te geven. (Vraag om een item dat je nodig hebt door te geven.)
  2. Noem al het serviesgoed en het gebruik ervan. (Noem al het serviesgoed en het gebruik.)

Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten

Voorbeeldzinnen:

De schaal met suiker staat op de tafel.

De lepel is in de kom.

Kun je het tafelkleed op de tafel leggen?

Het glas is gevuld met sinaasappelsap.

Het bord is gevuld met croissants.

Kun je me een glas water aangeven?

Wil je een kopje koffie of een kopje thee?

De vork, het mes en de lepel liggen naast het bord.

...