2. Wortschatz (19)

De kleding

De kleding Anzeigen

Die Kleidung Anzeigen

De jas

De jas Anzeigen

Die Jacke Anzeigen

Het pak

Het pak Anzeigen

Der Anzug Anzeigen

De trui

De trui Anzeigen

Der Pullover Anzeigen

Het T-shirt

Het T-shirt Anzeigen

Das T-Shirt Anzeigen

Het overhemd

Het overhemd Anzeigen

Das Hemd Anzeigen

De bloes

De bloes Anzeigen

Die Bluse Anzeigen

De jurk

De jurk Anzeigen

Das Kleid Anzeigen

De rok

De rok Anzeigen

Der Rock Anzeigen

De broek

De broek Anzeigen

Die Hose Anzeigen

De spijkerbroek

De spijkerbroek Anzeigen

Die Jeans Anzeigen

De schoenen

De schoenen Anzeigen

Die Schuhe Anzeigen

De laarzen

De laarzen Anzeigen

Die Stiefel Anzeigen

De riem

De riem Anzeigen

Der Gürtel Anzeigen

De muts

De muts Anzeigen

Die Mütze Anzeigen

De handschoenen

De handschoenen Anzeigen

Die Handschuhe Anzeigen

De maat

De maat Anzeigen

Die Größe Anzeigen

Passen

Passen Anzeigen

Anprobieren Anzeigen

4. Übungen

Übung 1: Prüfungsvorbereitung

Anleitung: Lies den Text, fülle die Lücken mit den fehlenden Wörtern und beantworte die untenstehenden Fragen.


Folder: Nieuwe kledingwinkel op de Zuidas

Wörter zu verwenden: pak, truien, schoenen, kleding, maat, spijkerbroeken, overhemd, kledingwinkel

(Ordner: Neuer Bekleidungsladen an der Zuidas)

Deze week opent ModePlein een nieuwe op de Zuidas in Amsterdam. In de winkel vindt u nette voor op kantoor, zoals een , een , broeken en . Er is ook casual kleding, zoals T-shirts, en . De winkel is open van maandag tot en met zaterdag, van 9.00 tot 19.00 uur.

In de winkel helpt een medewerker u met uw . U zegt welke maat u meestal draagt en hij of zij zoekt kleding voor u. U kunt de kleding passen in de paskamer en vragen: “Hoe staat het mij?” of “Heeft u deze broek in een andere maat?” Op de website staat een maattabel, zodat u thuis al kunt kijken welke maat u nodig heeft.
Diese Woche eröffnet ModePlein einen neuen Bekleidungsladen an der Zuidas in Amsterdam. Im Laden finden Sie gepflegte Kleidung fürs Büro, zum Beispiel einen Anzug, ein Hemd, Hosen und Schuhe. Es gibt auch legere Kleidung wie T‑Shirts, Pullover und Jeans. Der Laden ist geöffnet von Montag bis Samstag, von 9:00 bis 19:00 Uhr.

Im Laden hilft Ihnen ein Mitarbeiter bei der Größe. Sie sagen, welche Größe Sie normalerweise tragen, und er oder sie sucht passende Kleidung für Sie. Sie können die Kleidung in der Umkleidekabine anprobieren und fragen: „Wie steht mir das?“ oder „Haben Sie diese Hose in einer anderen Größe?“ Auf der Website gibt es eine Größentabelle, sodass Sie zuhause bereits nachsehen können, welche Größe Sie benötigen.

  1. Waarom is deze winkel handig voor iemand die op kantoor werkt?

    (Warum ist dieser Laden praktisch für jemanden, der im Büro arbeitet?)

  2. Welke soorten kleding kunt u in deze winkel kopen? Noem twee voorbeelden.

    (Welche Arten von Kleidung können Sie in diesem Laden kaufen? Nennen Sie zwei Beispiele.)

  3. Hoe helpt de medewerker u in de winkel met de maat?

    (Wie hilft Ihnen der Mitarbeiter im Laden bei der Größe?)

Übung 2: Ein Wort zuordnen

Anleitung: Ordne jeden Anfang mit dem richtigen Ende zu.

Ik wil graag deze broek in maat 38 passen. (Ich möchte diese Hose in Größe 38 anprobieren.)
Heeft u deze trui ook in het blauw voor mij? (Haben Sie diesen Pullover auch in Blau für mich?)
Past deze jas goed bij mij, wat denkt u? (Passt diese Jacke gut zu mir? Was denken Sie?)
Ik draag op mijn werk vaak een overhemd en een broek. (Bei der Arbeit trage ich oft ein Hemd und eine Hose.)

Übung 3: Mehrfachauswahl

Anleitung: Wählen Sie die richtige Lösung

1. Ik ___ de broek in het pashokje, hij past mij goed.

(Ich ___ die Hose in der Umkleide an, sie passt mir gut.)

2. Welke maat ___ jij normaal als je een spijkerbroek koopt?

(Welche Größe ___ du normalerweise, wenn du eine Jeans kaufst?)

3. De verkoopster ___ de jas voor hem en zegt dat de maat hem goed past.

(Die Verkäuferin ___ ihm die Jacke an und sagt, dass die Größe ihm gut passt.)

4. Wij ___ deze schoenen vaak naar kantoor omdat ze ons heel comfortabel zitten.

(Wir ___ diese Schuhe oft im Büro, weil sie für uns sehr bequem sind.)

Übung 4: Dialogkarten

Anleitung: Wähle eine Situation aus und übe das Gespräch mit deinem Lehrer oder deinen Mitschülern.

Übung 5: Auf die Situation reagieren

Anleitung: Übe zu zweit oder mit deiner Lehrkraft.

1. Je bent in een kledingwinkel in de lunchpauze. Je zoekt een nette broek voor op je werk. Vraag aan de verkoper of de broek er is in jouw maat. (Gebruik: De broek, De maat, Passen)

(Sie sind in einer Bekleidungsgeschäft in der Mittagspause. Sie suchen eine elegante Hose für die Arbeit. Fragen Sie den Verkäufer, ob die Hose in Ihrer Größe verfügbar ist. (Verwenden: die Hose, die Größe, anprobieren))

Ik zoek  

(Ich suche ...)

Beispiel:

Ik zoek de broek in maat 40. Kan ik die even passen?

(Ich suche die Hose in Größe 40. Kann ich sie kurz anprobieren?)

2. Je gaat in het weekend met vrienden naar een café. Je wilt een T-shirt kopen. Vraag in de winkel of ze het T-shirt hebben in jouw maat. (Gebruik: Het T-shirt, De maat, Dragen)

(Am Wochenende gehen Sie mit Freunden in ein Café. Sie möchten ein T‑Shirt kaufen. Fragen Sie im Laden, ob sie das T‑Shirt in Ihrer Größe haben. (Verwenden: das T‑Shirt, die Größe, tragen))

Heeft u  

(Haben Sie ...)

Beispiel:

Heeft u het T-shirt in maat M? Die maat draag ik meestal.

(Haben Sie das T‑Shirt in Größe M? Diese Größe trage ich normalerweise.)

3. Het is winter en je fietst elke dag naar je werk. Je hebt het erg koud. In de winkel vraag je om een warme trui. (Gebruik: De trui, Warm, Dragen)

(Es ist Winter und Sie fahren jeden Tag mit dem Fahrrad zur Arbeit. Ihnen ist sehr kalt. Im Laden bitten Sie um einen warmen Pullover. (Verwenden: der Pullover, warm, tragen))

Ik wil graag  

(Ich möchte gern ...)

Beispiel:

Ik wil graag een warme trui voor op de fiets. Ik draag nu alleen een dun T-shirt.

(Ich möchte gern einen warmen Pullover fürs Fahrrad. Ich trage jetzt nur ein dünnes T‑Shirt.)

4. Je hebt een sollicitatiegesprek. Je wilt een pak kopen in een winkel. Vraag of je het pak even mag passen. (Gebruik: Het pak, Passen, De maat)

(Sie haben ein Vorstellungsgespräch. Sie möchten einen Anzug in einem Geschäft kaufen. Fragen Sie, ob Sie den Anzug kurz anprobieren dürfen. (Verwenden: der Anzug, anprobieren, die Größe))

Mag ik  

(Darf ich ...)

Beispiel:

Mag ik het pak even passen? Ik weet niet of de maat goed is.

(Darf ich den Anzug kurz anprobieren? Ich weiß nicht, ob die Größe passt.)

Übung 6: Schreibübung

Anleitung: Schreiben Sie 4 oder 5 Sätze darüber, wo Sie normalerweise Kleidung kaufen und wie Sie im Laden nach Ihrer Größe und Ihrem Stil fragen.

Nützliche Ausdrücke:

Ik koop mijn kleding meestal bij... / Ik draag op mijn werk vaak... / Kunt u mij helpen met de maat? / Heeft u dit ook in een andere kleur of maat?

Oefening 7: Gesprächsübung

Instructie:

  1. Zeg wie wat draagt. (Sagen Sie, wer was trägt.)
  2. Beschrijf wat je draagt. (Beschreibe, was du trägst.)

Unterrichtsrichtlinien +/- 10 Minuten

Beispielsätze:

Hij draagt handschoenen.

Er trägt Handschuhe.

Zij draagt een riem.

Sie trägt einen Gürtel.

Een ander kledingstuk dat ik ken is 'jurk'.

Als weiteres Kleidungsstück kenne ich "Kleid".

Petra draagt een broek en een trui.

Petra trägt eine Hose und einen Pullover.

Zij draagt laarzen.

Sie trägt Stiefel.

Mijn moeder draagt een bril.

Meine Mutter trägt eine Brille.

Wat draag je vandaag?

Was trägst du heute?

...