1. Sprachimmersion

2. Wortschatz (11)

De eerste

De eerste Anzeigen

Der Erste Anzeigen

De tweede

De tweede Anzeigen

Der Zweite Anzeigen

De derde

De derde Anzeigen

Der Dritte Anzeigen

De vierde

De vierde Anzeigen

Der Vierte Anzeigen

De vijfde

De vijfde Anzeigen

Der Fünfte Anzeigen

De zesde

De zesde Anzeigen

Der Sechste Anzeigen

De zevende

De zevende Anzeigen

Der Siebte Anzeigen

De achtste

De achtste Anzeigen

Der Achte Anzeigen

De negende

De negende Anzeigen

Der Neunte Anzeigen

De tiende

De tiende Anzeigen

Der Zehnte Anzeigen

Herinneren

Herinneren Anzeigen

Sich erinnern Anzeigen

3. Grammatik

4. Übungen

Übung 1: Prüfungsvorbereitung

Anleitung: Lies den Text, fülle die Lücken mit den fehlenden Wörtern und beantworte die untenstehenden Fragen.


Afspraak in een kantoorgebouw

Wörter zu verwenden: tweede, eerste, vijfde, derde, vierde, eerste, vierde, linksaf, herinneren, derde

(Termin in einem Bürogebäude)

U heeft een sollicitatiegesprek in een groot kantoorgebouw in Utrecht. In de e-mail staat: “Meld u bij de receptie op de verdieping.” In de hal ziet u de lift en een bord met: begane grond, , , , en verdieping. U wilt geen fout maken en het gesprek niet missen.

Bij de receptie vraagt u waar het bedrijf is. De medewerker zegt: “Uw gesprek is op de verdieping, kamer 305. Eerst gaat u met de lift omhoog. Daarna gaat u . De kamer is de deur aan de linkerkant.” U herhaalt dit in uw hoofd om het te : “Derde verdieping, kamer 305, vierde deur links.”
Sie haben ein Vorstellungsgespräch in einem großen Bürogebäude in Utrecht. In der E‑Mail steht: „Melden Sie sich an der Rezeption im ersten Stock.“ In der Halle sehen Sie den Aufzug und ein Schild mit: Erdgeschoss, erster, zweiter, dritter, vierter und fünfter Stock. Sie möchten keinen Fehler machen und das Gespräch nicht verpassen.

An der Rezeption fragen Sie, wo die Firma ist. Die Mitarbeiterin/der Mitarbeiter sagt: „Ihr Gespräch ist im dritten Stock, Zimmer 305. Zuerst fahren Sie mit dem Aufzug nach oben. Danach gehen Sie links. Das Zimmer ist die vierte Tür auf der linken Seite.“ Sie wiederholen dies in Gedanken, um es sich zu merken: „Dritter Stock, Zimmer 305, vierte Tür links.“

  1. Op welke verdieping is uw sollicitatiegesprek?

    (In welchem Stockwerk ist Ihr Vorstellungsgespräch?)

  2. Welke route moet u nemen vanaf de lift om bij de kamer te komen?

    (Welche Strecke müssen Sie vom Aufzug aus nehmen, um zum Zimmer zu gelangen?)

Übung 2: Ein Wort zuordnen

Anleitung: Ordne jeden Anfang mit dem richtigen Ende zu.

Ik woon op de derde verdieping van dit flatgebouw. (Ich wohne im dritten Stock dieses Wohnhauses.)
Mijn afspraak bij de huisarts is op de vijfde verdieping van het ziekenhuis. (Mein Termin beim Hausarzt ist im fünften Stock des Krankenhauses.)
Het kantoor van mijn manager is op de achtste verdieping van het gebouw. (Das Büro meines Managers ist im achten Stock des Gebäudes.)
Ik herinner me dat de training op de tiende verdieping begint. (Ich erinnere mich, dass das Training im zehnten Stock beginnt.)

Übung 3: Mehrfachauswahl

Anleitung: Wählen Sie die richtige Lösung

1. Ik ___ mij dat mijn afspraak op de derde verdieping is.

(Ik ___ mij dat mijn afspraak op de derde verdieping is.)

2. Hij ___ zich niet of het de vierde of de vijfde verdieping is.

(Hij ___ zich niet of het de vierde of de vijfde verdieping is.)

3. Wij ___ ons dat de cursus op de tiende verdieping begint.

(Wij ___ ons dat de cursus op de tiende verdieping begint.)

4. U ___ zich dat uw collega op de eerste verdieping werkt.

(U ___ zich dat uw collega op de eerste verdieping werkt.)

Übung 4: Dialogkarten

Anleitung: Wähle eine Situation aus und übe das Gespräch mit deinem Lehrer oder deinen Mitschülern.

Übung 5: Auf die Situation reagieren

Anleitung: Übe zu zweit oder mit deiner Lehrkraft.

1. Je hebt een afspraak in een kantoorgebouw. Bij de receptie vraag je op welke verdieping jouw afspraak is. Antwoord met de verdieping. (Gebruik: de eerste / de tweede / de derde, de afspraak, het kantoor)

(Sie haben einen Termin in einem Bürogebäude. An der Rezeption fragen Sie, in welcher Etage Ihr Termin ist. Antworten Sie mit der Etage. (Verwenden: de eerste / de tweede / de derde, de afspraak, het kantoor))

Mijn afspraak is    

(Mijn afspraak is ...)

Beispiel:

Mijn afspraak is op de derde verdieping.

(Mijn afspraak is op de derde verdieping.)

2. Je staat in de wachtrij bij de huisarts. De assistente vraagt: “Bent u aan de beurt?” Zeg dat u de volgende persoon in de rij bent. (Gebruik: de eerste, de tweede, de derde, aan de beurt)

(Sie stehen in der Warteschlange beim Hausarzt. Die Assistentin fragt: „Bent u aan de beurt?“ Sagen Sie, dass Sie die zweite Person in der Reihe sind. (Verwenden: de eerste, de tweede, de derde, aan de beurt))

Ik ben    

(Ik ben ...)

Beispiel:

Ik ben de tweede, dus ik ben bijna aan de beurt.

(Ik ben de tweede, dus ik ben bijna aan de beurt.)

3. Je bezoekt een collega in een appartementencomplex. Iemand in de lift vraagt: “Naar welke verdieping gaat u?” Zeg op welke verdieping uw collega woont. (Gebruik: de vierde, het appartement, wonen)

(Sie besuchen einen Kollegen in einem Wohnhaus. Jemand im Aufzug fragt: „Naar welke verdieping gaat u?“ Sagen Sie, in welcher Etage Ihr Kollege wohnt. (Verwenden: de vierde, het appartement, wonen))

Ik ga naar    

(Ik ga naar ...)

Beispiel:

Ik ga naar de vierde verdieping; mijn collega woont daar.

(Ik ga naar de vierde verdieping; mijn collega woont daar.)

4. Je bent op een training op het werk. Iedereen stelt zich voor. Zeg op welke plaats u presenteert in de rij van sprekers. (Gebruik: de eerste, de tweede, de tiende, presentatie)

(Sie sind bei einer Schulung bei der Arbeit. Alle stellen sich vor. Sagen Sie, an welcher Stelle Sie in der Reihe der Vortragenden stehen. (Verwenden: de eerste, de tweede, de tiende, presentatie))

Ik ben    

(Ik ben ...)

Beispiel:

Ik ben de eerste spreker bij de presentatie.

(Ik ben de eerste spreker bij de presentatie.)

Übung 6: Hören Sie zu und beantworten Sie die Fragen

Anleitung: Hören Sie sich die Audiofragmente an und wählen Sie die richtige Antwort auf die Fragen.

1. Hallo, u heeft morgen een afspraak bij de tandarts. De praktijk is op de vierde verdieping. Neem de lift naar boven. De deur rechts is de derde deur in de gang. Kunt u dat onthouden?

Waar moet de persoon zijn voor de afspraak?

(Wo muss die Person für den Termin sein?)
2. Goedemiddag. Haal een nummer bij de balie. Nu helpen we nummer tien. Daarna is nummer elf aan de beurt. Nummer twaalf is de derde in de rij. Blijf in de wachtkamer, u hoort uw nummer.

Wie wordt als derde geholpen?

(Wer wird als Dritter geholfen?)

Übung 7: Schreibübung

Anleitung: Schreiben Sie 3 oder 4 Sätze über einen Termin, den Sie in einem Gebäude haben: In welchem Stockwerk ist er und wie finden Sie das Zimmer?

Nützliche Ausdrücke:

Ik heb een afspraak op de ... verdieping. / De kamer is de ... deur links of rechts. / Eerst ga ik met de lift of met de trap. / Daarna ga ik linksaf of rechtsaf.

Oefening 8: Gesprächsübung

Instructie:

  1. Op welke verdieping woont elke persoon? (Auf welcher Etage wohnt jede Person?)
  2. Woon je in een appartement? Op welke verdieping woon je? (Wohnen Sie in einer Wohnung? In welchem Stockwerk wohnen Sie?)

Unterrichtsrichtlinien +/- 10 Minuten

Beispielsätze:

Stevan woont op de negende verdieping.

Stevan wohnt im neunten Stock.

Catherine woont op de tiende verdieping.

Catherine lebt im zehnten Stock.

Giulia woont op de eerste verdieping.

Giulia wohnt im ersten Stock.

Je woont in een appartement op de zesde verdieping.

Du wohnst in einer Wohnung im sechsten Stock.

Op welke verdieping woon je?

In welchem Stockwerk wohnst du?

Ik woon op de begane grond.

Ich wohne im Erdgeschoss.

...