A1.17 - Koken en bakken
Gotowanie i pieczenie
1. Taalonderdompeling
A1.17.1 Activiteit
Traditioneel recept voor pierogi
3. Grammatica
A1.17.2 Grammatica
Het uitdrukken van noodzaak met "trzeba"
Belangrijk werkwoord
Gotować (koken)
4. Oefeningen
Oefening 1: Examenvoorbereiding
Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder
Mail od znajomej: prosty przepis na obiad
Woorden om te gebruiken: domowy, oleju, mąkę, kroić, ziemniakami, czosnek, pieprz, Cebulę, mięso, sól
(Mail van een vriendin: een eenvoudig recept voor het avondeten)
Cześć Aniu,
w niedzielę robimy mały obiad. Będzie prosto i szybko. Na pierwsze danie będą zupa jarzynowa i sałatka. Na drugie danie robię pieczone z . Najpierw trzeba obrać ziemniaki i je w małe kawałki. Potem trzeba dodać , i trochę . Mięso też trzeba posolić i posypać pieprzem. i trzeba drobno pokroić i dać na mięso. Całość trzeba piec około jednej godziny. Do ciasta na deser trzeba tylko , jajko, cukier i trochę oleju. Nic trudnego!
Pozdrawiam,
KasiaHoi Ania,
zondag maken we een kleine zelfgemaakte maaltijd. Het wordt eenvoudig en snel. Als voorgerecht komen er groentesoep en een salade. Als hoofdgerecht maak ik geroosterd vlees met aardappelen. Eerst moet je de aardappelen schillen en in kleine stukjes snijden. Daarna moet je zout, peper en wat olie toevoegen. Het vlees moet ook gezouten en met peper bestrooid worden. Ui en knoflook moeten fijngehakt worden en op het vlees gelegd worden. Het geheel moet ongeveer een uur in de oven. Voor het deeg van het toetje heb je alleen bloem, een ei, suiker en wat olie nodig. Niets moeilijks!
Groetjes,
Kasia
-
Co Kasia robi na drugie danie na obiad?
(Wat maakt Kasia als hoofdgerecht voor het avondeten?)
-
Jakie składniki trzeba dodać do ziemniaków przed pieczeniem?
(Welke ingrediënten moet je aan de aardappelen toevoegen voordat je ze bakt?)
-
Czy Ty lubisz gotować w domu? Opowiedz krótko, co robisz na prosty obiad.
(Kook jij graag thuis? Vertel kort wat je maakt voor een eenvoudige maaltijd.)
Oefening 2: Een woord matchen
Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.
Oefening 3: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. W pracy mam mało czasu, więc codziennie ___ szybki obiad z makaronem i warzywami.
(Op het werk heb ik weinig tijd, dus ik ___ elke dag een snelle maaltijd met pasta en groenten.)2. W niedzielę moja żona ___ domowy rosół dla całej rodziny.
(Op zondag ___ mijn vrouw zelfgemaakte kippenbouillon voor de hele familie.)3. Na kursie języka polskiego często ___ razem proste dania, żeby ćwiczyć słownictwo w kuchni.
(Tijdens de Poolse taalcursus ___ we vaak samen eenvoudige gerechten om de woordenschat uit de keuken te oefenen.)4. Kiedy masz gości z pracy, trzeba ___ coś prostego i smacznego, na przykład zupę pomidorową.
(Als je gasten van je werk hebt, moet je ___ iets eenvoudigs en lekkers klaarmaken, bijvoorbeeld tomatensoep.)Oefening 4: Gesprekskaarten
Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Zakupy na domowy obiad
Klient: Show Dzień dobry, gdzie jest mąka i cukier?
(Goedendag, waar vind ik bloem en suiker?)
Sprzedawczyni: Show Dzień dobry, mąka jest tutaj, a cukier jest na dole, obok soli i pieprzu.
(Goedendag, de bloem is hier en de suiker is onderaan, naast het zout en de peper.)
Klient: Show Poproszę kilogram mąki i kilogram cukru, robię dziś domowe ciasto.
(Mag ik een kilo bloem en een kilo suiker, ik maak vandaag zelf een taart.)
Sprzedawczyni: Show Dobrze, proszę też wziąć jajka, bez jajek nie można piec ciasta.
(Goed, neem ook eieren mee; zonder eieren kun je geen taart bakken.)
Open vragen:
1. Co ty często gotujesz w domu na obiad?
Wat kook je vaak thuis als avondeten?
2. Jakie produkty kupujesz bardzo często w sklepie spożywczym?
Welke producten koop je heel vaak in de supermarkt?
Gotowanie z przepisem u znajomej
Kolega: Show Kasia, co dziś gotujemy na obiad?
(Kasia, wat koken we vandaag als avondeten?)
Kasia: Show Robimy domowy żurek, w przepisie jest mięso, ziemniaki, cebula i czosnek.
(We maken huisgemaakte zure soep (żurek); in het recept zitten vlees, aardappelen, ui en knoflook.)
Kolega: Show Ile ziemniaków muszę kroić i czy dajemy sól i pieprz?
(Hoeveel aardappels moet ik snijden en doen we er zout en peper bij?)
Kasia: Show Krój cztery ziemniaki, a potem dodaj trochę soli i trochę pieprzu do garnka.
(Snijd vier aardappels en voeg daarna wat zout en een beetje peper toe aan de pan.)
Open vragen:
1. Czy lubisz gotować z przepisem, czy bez przepisu? Dlaczego?
Kook je graag met een recept of juist zonder? Waarom?
2. Jakie warzywa lubisz w zupie lub w obiedzie?
Welke groenten vind je lekker in soep of bij het avondeten?
Oefening 5: Reageer op de situatie
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
1. Jesteś w supermarkecie w Polsce i gotujesz dziś obiad w domu. Pytasz pracownika sklepu, gdzie jest sól do zupy. (Użyj: sól, proszę, potrzebuję)
(Je bent in een supermarkt in Polen en je kookt vanavond thuis. Je vraagt een winkelmedewerker waar het zout voor de soep staat. (Gebruik: zout, alstublieft, ik heb nodig))Przepraszam, gdzie jest
(Pardon, waar is ...)Voorbeeld:
Przepraszam, gdzie jest sól? Potrzebuję sól do zupy, proszę.
(Pardon, waar is het zout? Ik heb zout voor de soep nodig, alstublieft.)2. W pracy organizujecie mały lunch w biurze. Ty gotujesz prosty makaron. Mówisz koledze, że musi kupić mięso, bo ty nie masz czasu na zakupy. (Użyj: mięso, musisz, proszę)
(Op het werk organiseren jullie een kleine lunch op kantoor. Jij maakt eenvoudige pasta. Je zegt tegen een collega dat hij vlees voor je moet kopen omdat jij geen tijd hebt om boodschappen te doen. (Gebruik: vlees, je moet, alstublieft))Proszę, ty kup
(Alstublieft, jij koopt ...)Voorbeeld:
Proszę, ty kup mięso na lunch. Ja gotuję makaron, nie mam czasu na zakupy.
(Alstublieft, kun je vlees voor de lunch kopen? Ik maak pasta en heb geen tijd om boodschappen te doen.)3. Piszesz krótką wiadomość do partnera / partnerki w domu. Ty jesteś w sklepie i pytasz, ile ziemniaków kupić na obiad. (Użyj: ziemniaki, ile, na obiad)
(Je schrijft een korte boodschap naar je partner thuis. Je bent in de winkel en vraagt hoeveel aardappels je moet kopen voor het avondeten. (Gebruik: aardappels, hoeveel, voor het avondeten))Ile kupić
(Hoeveel kopen ...)Voorbeeld:
Ile kupić ziemniaków na obiad? Gotuję dziś ziemniaki i mięso.
(Hoeveel aardappels moet ik kopen voor het avondeten? Ik maak vandaag aardappels en vlees.)4. Gotujesz w domu prosty domowy deser. Kolega z pracy pyta: „Co robisz?”. Odpowiedz, używając słowa „przepis” i powiedz, że gotujesz według prostego przepisu. (Użyj: przepis, prosty, domowy)
(Je maakt thuis een eenvoudig zelfgemaakt dessert. Een collega vraagt: "Wat ben je aan het doen?" Antwoord, gebruik het woord "recept" en zeg dat je volgens een eenvoudig recept kookt. (Gebruik: recept, eenvoudig, zelfgemaakt))Gotuję według
(Ik kook volgens ...)Voorbeeld:
Gotuję według prostego przepisu. To jest domowy deser z jajkiem i mąką.
(Ik kook volgens een eenvoudig recept. Het is een zelfgemaakt dessert met ei en bloem.)Oefening 6: Schrijfopdracht
Instructie: Schrijf 4–5 zinnen over welk eenvoudig avondeten je graag thuis klaarmaakt en welke ingrediënten daarvoor nodig zijn.
Nuttige uitdrukkingen:
Lubię gotować… / Do tego dania trzeba… / Najpierw trzeba… potem… / Na obiad często robię…
Ćwiczenie 7: Gespreksoefening
Instrukcja:
- Wyjaśnij każdy krok pieczenia naleśników. (Leg elk stadium van het pannenkoeken bakken uit.)
Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten
Instructies voor de leraar
- Lees de voorbeeldzinnen hardop voor.
- Beantwoord de vragen over de afbeelding.
- Studenten kunnen deze oefening ook als geschreven tekst voor de volgende les voorbereiden.
Voorbeeldzinnen:
|
Należy rozpuścić masło. Het is noodzakelijk om de boter te koken. |
|
Musimy dodać masło i cukier. We moeten de boter en de suiker toevoegen. |
|
Musisz dodać olej i masło do mieszanki. Je moet de olie en de boter aan het mengsel toevoegen. |
|
Musisz wymieszać jajka, mleko i sól. Je moet de eieren, de melk en het zout mengen. |
|
Usmaż naleśniki na patelni. Bak de pannenkoeken in de pan. |
|
Zjedz naleśniki, smacznego! Eet de pannenkoeken, smakelijk eten! |
| ... |