Verpleegkunde 9 - Ondersteuning van ouderen
Ondersteuning van ouderen
2. Oefeningen
Oefening 1: Examenvoorbereiding
Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder
Ondersteuning voor een oudere patiënt
Woorden om te gebruiken: mobiliteit, valpreventie, eetpatroon, medicatie, slaapritme, voeding, wondverzorging, ochtendritueel, gevallen
(Ondersteuning van een oudere patiënt)
Mila is verpleegkundige op een geriatrische afdeling in een ziekenhuis in Utrecht. Ze zorgt vandaag voor meneer Van Dijk, een 82‑jarige patiënt. Hij is twee weken geleden in de badkamer en hij is nog onzeker bij het lopen.
Elke ochtend gaat Mila eerst naar zijn kamer. Ze zegt goedemorgen en vraagt naar zijn . “Hoe was uw slaapritme? Heeft u goed geslapen?” Meneer Van Dijk zegt dat hij vaak wakker wordt in de nacht en dan moeilijk weer in slaap valt.
Daarna helpt Mila hem met het . Ze helpt hem rustig uit bed opstaan en naar de badkamer lopen. In de badkamer kijkt ze of hij zelf kan wassen. Ze let goed op zijn , zodat hij niet uitglijdt. In de kamer controleert ze ook de wond op zijn been en doet de .
Na de verzorging bespreekt Mila het met meneer Van Dijk. Hij heeft weinig eetlust en drinkt niet veel. Ze vraagt wat hij normaal thuis eet en drinkt, en legt uit dat goede belangrijk is voor de genezing. Ze geeft hem de en controleert of hij alles goed inneemt.
Daarna doet Mila samen met hem lichte oefeningen. Hij zit op de stoel en beweegt zijn armen en benen. Mila legt uit dat dit goed is voor de spieren en voor de . Voor het lopen gebruikt hij een rollator. Mila loopt naast hem, zodat hij zich veilig voelt.
Aan het einde van de dienst schrijft Mila in het dossier hoe de dag ging: de verzorging, de pijn, de mobiliteit en het slapen. Zo weet de collega van de avonddienst precies wat hij nodig heeft.
-
Waarom doet Mila samen met meneer Van Dijk lichte oefeningen? Leg dit met eigen woorden uit.
-
Welke problemen heeft meneer Van Dijk met slapen en eten?
-
Wat noteert Mila aan het einde van haar dienst in het dossier en waarom is dat belangrijk?
Oefening 2: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. Hoe laat ___ u meestal op als uw slaapritme goed is?
2. Ik ___ u voorzichtig opstaan en daarna maken we een korte transfer naar de rolstoel.
3. ___ u elke ochtend lichte oefeningen te doen om uw mobiliteit te verbeteren.
4. Als u pijn voelt bij het lopen, ___ u de pijnklacht direct bij mij.
Oefening 3: Gesprekskaarten
Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Ochtendritueel bij een oudere patiënt
Verpleegkundige Sanne: Show Goedemorgen meneer De Boer, hoe heeft u geslapen vannacht?
Meneer De Boer (patiënt): Show Matig, ik werd vaak wakker en mijn knie doet nog pijn.
Verpleegkundige Sanne: Show Dat is vervelend, ik help u eerst rustig opstaan en dan doen we twee lichte oefeningen voor de mobiliteit van uw knie.
Meneer De Boer (patiënt): Show Dat is goed, daarna wil ik graag mijn wondverzorging en dan ontbijt, anders raakt mijn eetpatroon in de war.
Open vragen:
1. Hoe ziet jouw eigen ochtendritueel eruit op een werkdag?
2. Wat kun jij vragen aan een patiënt om meer te weten over zijn of haar slaapritme?
Valpreventie bij het avondritueel
Thuiszorgverpleegkundige Mark: Show Mevrouw Jansen, hoe gaat uw avondritueel, kunt u zelf naar het toilet of heeft u hulp nodig met opstaan?
Mevrouw Jansen (cliënt): Show Ik kan het meestal zelf, maar ik ben bang om te vallen als ik ’s nachts naar de wc loop.
Thuiszorgverpleegkundige Mark: Show Dan zetten we de wandelstok naast het bed en doen we het nachtlampje aan, dat helpt bij de valpreventie.
Mevrouw Jansen (cliënt): Show Ja, dat voelt veilig, en als ik pijn heb of erg duizelig ben, bel ik u meteen.
Open vragen:
1. Welke tips voor valpreventie kun jij aan een oudere patiënt geven?
2. Wat vraag jij aan een patiënt om te weten of hij of zij ’s nachts vaak uit bed moet voor de toiletgang?
Oefening 4: Reageer op de situatie
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
1. Je doet ochtendzorg bij een oudere patiënt thuis. Je wilt weten of het dagritme goed is. Stel een korte, duidelijke vraag over het dagritme en reageer op het antwoord. (Gebruik: het dagritme, morgens, ’s avonds)
Over het dagritme
Voorbeeld:
Over het dagritme: hoe is het nu voor u? Gaat u ’s morgens op tijd uit bed en gaat u ’s avonds op tijd slapen?
2. Je werkt op een afdeling en je ziet dat een patiënt heel langzaam loopt en soms wankelt. Je wilt vriendelijk vragen naar de mobiliteit, en hulp aanbieden. (Gebruik: de mobiliteit, lopen, helpen)
Met de mobiliteit
Voorbeeld:
Met de mobiliteit, hoe gaat het nu? Kunt u zelf goed lopen, of zal ik u helpen?
3. Je begeleidt een oudere patiënt bij lichte oefeningen op de stoel. Je legt uit dat rekken en strekken belangrijk is, maar dat het rustig mag. (Gebruik: lichte oefeningen, rekken en strekken, rustig aan)
Met de lichte oefeningen
Voorbeeld:
Met de lichte oefeningen doen we het rustig aan. We gaan even rekken en strekken met de armen en de schouders.
4. Je bent bij een patiënt die ’s nachts onrustig slaapt. Je vraagt naar het slaapritme en geeft een eenvoudige tip. (Gebruik: het slaapritme, wakker worden, beter slapen)
Over het slaapritme
Voorbeeld:
Over het slaapritme: hoe vaak wordt u ’s nachts wakker? Misschien helpt het om elke avond op dezelfde tijd naar bed te gaan, dan kunt u beter slapen.
Oefening 5: Schrijfopdracht
Instructie: Schrijf 5 of 6 zinnen over hoe jij een oudere patiënt in het ziekenhuis helpt bij het opstaan, eten en veilig bewegen.
Nuttige uitdrukkingen:
Ik begin de dag met… / Ik vraag de patiënt of… / Daarna help ik met… / Dit is belangrijk, omdat…