1. Woordenschat (18)

De mobiliteit Show

Mobiliteit Show

Het evenwicht Show

Evenwicht Show

De valpreventie Show

Valpreventie Show

Het hulpmiddel Show

Hulpmiddel Show

De rollator Show

Rollator Show

De wandelstok Show

Wandelstok Show

Het transfervragen (overzetten) Show

Transfervragen (overzetten) Show

Ondersteunen (helpen) Show

Ondersteunen (helpen) Show

De persoonlijke verzorging Show

Persoonlijke verzorging Show

De incontinentie Show

Incontinentie Show

Het ochtendritueel Show

Ochtendritueel Show

Het slaappatroon Show

Slaappatroon Show

Eten geven / hulp bij eten Show

Eten geven / hulp bij eten Show

Lichte oefeningen doen Show

Lichte oefeningen doen Show

De fysiotherapie Show

Fysiotherapie Show

De pijn Show

Pijn Show

De bloeddruk Show

Bloeddruk Show

De ademhaling Show

Ademhaling Show

2. Oefeningen

Oefening 1: Examenvoorbereiding

Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder


Ondersteuning voor een oudere patiënt

Woorden om te gebruiken: mobiliteit, valpreventie, eetpatroon, medicatie, slaapritme, voeding, wondverzorging, ochtendritueel, gevallen

(Ondersteuning van een oudere patiënt)

Mila is verpleegkundige op een geriatrische afdeling in een ziekenhuis in Utrecht. Ze zorgt vandaag voor meneer Van Dijk, een 82‑jarige patiënt. Hij is twee weken geleden in de badkamer en hij is nog onzeker bij het lopen.

Elke ochtend gaat Mila eerst naar zijn kamer. Ze zegt goedemorgen en vraagt naar zijn . “Hoe was uw slaapritme? Heeft u goed geslapen?” Meneer Van Dijk zegt dat hij vaak wakker wordt in de nacht en dan moeilijk weer in slaap valt.

Daarna helpt Mila hem met het . Ze helpt hem rustig uit bed opstaan en naar de badkamer lopen. In de badkamer kijkt ze of hij zelf kan wassen. Ze let goed op zijn , zodat hij niet uitglijdt. In de kamer controleert ze ook de wond op zijn been en doet de .

Na de verzorging bespreekt Mila het met meneer Van Dijk. Hij heeft weinig eetlust en drinkt niet veel. Ze vraagt wat hij normaal thuis eet en drinkt, en legt uit dat goede belangrijk is voor de genezing. Ze geeft hem de en controleert of hij alles goed inneemt.

Daarna doet Mila samen met hem lichte oefeningen. Hij zit op de stoel en beweegt zijn armen en benen. Mila legt uit dat dit goed is voor de spieren en voor de . Voor het lopen gebruikt hij een rollator. Mila loopt naast hem, zodat hij zich veilig voelt.

Aan het einde van de dienst schrijft Mila in het dossier hoe de dag ging: de verzorging, de pijn, de mobiliteit en het slapen. Zo weet de collega van de avonddienst precies wat hij nodig heeft.

  1. Waarom doet Mila samen met meneer Van Dijk lichte oefeningen? Leg dit met eigen woorden uit.

  2. Welke problemen heeft meneer Van Dijk met slapen en eten?

  3. Wat noteert Mila aan het einde van haar dienst in het dossier en waarom is dat belangrijk?

Oefening 2: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Hoe laat ___ u meestal op als uw slaapritme goed is?


2. Ik ___ u voorzichtig opstaan en daarna maken we een korte transfer naar de rolstoel.


3. ___ u elke ochtend lichte oefeningen te doen om uw mobiliteit te verbeteren.


4. Als u pijn voelt bij het lopen, ___ u de pijnklacht direct bij mij.


Oefening 3: Gesprekskaarten

Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 4: Reageer op de situatie

Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.

1. Je doet ochtendzorg bij een oudere patiënt thuis. Je wilt weten of het dagritme goed is. Stel een korte, duidelijke vraag over het dagritme en reageer op het antwoord. (Gebruik: het dagritme, morgens, ’s avonds)

Over het dagritme  

Voorbeeld:

Over het dagritme: hoe is het nu voor u? Gaat u ’s morgens op tijd uit bed en gaat u ’s avonds op tijd slapen?

2. Je werkt op een afdeling en je ziet dat een patiënt heel langzaam loopt en soms wankelt. Je wilt vriendelijk vragen naar de mobiliteit, en hulp aanbieden. (Gebruik: de mobiliteit, lopen, helpen)

Met de mobiliteit  

Voorbeeld:

Met de mobiliteit, hoe gaat het nu? Kunt u zelf goed lopen, of zal ik u helpen?

3. Je begeleidt een oudere patiënt bij lichte oefeningen op de stoel. Je legt uit dat rekken en strekken belangrijk is, maar dat het rustig mag. (Gebruik: lichte oefeningen, rekken en strekken, rustig aan)

Met de lichte oefeningen  

Voorbeeld:

Met de lichte oefeningen doen we het rustig aan. We gaan even rekken en strekken met de armen en de schouders.

4. Je bent bij een patiënt die ’s nachts onrustig slaapt. Je vraagt naar het slaapritme en geeft een eenvoudige tip. (Gebruik: het slaapritme, wakker worden, beter slapen)

Over het slaapritme  

Voorbeeld:

Over het slaapritme: hoe vaak wordt u ’s nachts wakker? Misschien helpt het om elke avond op dezelfde tijd naar bed te gaan, dan kunt u beter slapen.

Oefening 5: Schrijfopdracht

Instructie: Schrijf 5 of 6 zinnen over hoe jij een oudere patiënt in het ziekenhuis helpt bij het opstaan, eten en veilig bewegen.

Nuttige uitdrukkingen:

Ik begin de dag met… / Ik vraag de patiënt of… / Daarna help ik met… / Dit is belangrijk, omdat…