Verpleegkunde 3 - Observeren en rapporteren
Observeren en rapporteren
2. Oefeningen
Oefening 1: Examenvoorbereiding
Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder
Observatie op de verpleegafdeling
Woorden om te gebruiken: bloeddruk, registreert, supervisor, rapporteert, lichaamstemperatuur, ademhaling, hartslag
(Observatie op de verpleegafdeling)
Sara is verpleegkundige in een ziekenhuis in Den Haag. Ze werkt op een interne afdeling. Aan het begin van de dienst leest ze eerst de dossiers van de patiënten. Daarna gaat ze langs de kamers om de patiënten te observeren.
Bij meneer De Vries meet Sara de bloeddruk, de lichaamstemperatuur, de hartslag en de ademhaling. De hartslag is wat snel, maar regelmatig. De ademhaling is rustig. De saturatie is goed. Meneer De Vries is alert en praat rustig met Sara.
Daarna gaat Sara naar mevrouw Janssen. Mevrouw kijkt suf en reageert langzaam. Haar huid voelt koud aan en haar gezicht is erg bleek. De ademhaling is onregelmatig en de ademhalingsfrequentie is hoog. Ook de pols is snel. Sara vindt dit veranderd gedrag.
Sara schrijft alle waarden in het dossier. Ze zorgvuldig de tijd, de , de , de en de . Dan belt ze meteen haar en haar observaties: mevrouw is suf, voelt koud aan en ademt onregelmatig. De supervisor komt direct naar de kamer om samen verder te kijken.
-
Waarom maakt Sara zich zorgen over mevrouw Janssen? Noem twee observaties.
-
Wat doet Sara met de gemeten waarden van de patiënten?
-
Hoe reageert de supervisor als Sara haar observaties heeft gerapporteerd?
Oefening 2: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. Ik ___ dat de ademhaling van de patiënt onregelmatig is en ik rapporteer dat direct aan mijn supervisor.
2. Daarna ___ ik de pols en de bloeddruk en registreer ik alle waarden in het elektronisch dossier.
3. Bij de volgende controle ___ wij ook de temperatuur en de saturatie, zodat de arts de veranderingen goed kan zien.
4. Als ik een afwijkende waarde zie, ___ ik dat meteen en beschrijf ik de hoeveelheid, kleur en consistentie zo precies mogelijk.
Oefening 3: Gesprekskaarten
Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Vitale functies meten op de afdeling
Leerling-verpleegkundige Noor: Show Mark, ik heb de vitale functies van meneer De Vries net gemeten en ik wil het even melden.
Verpleegkundige Mark: Show Oké, vertel maar: hoe zijn ademhaling, pols, bloeddruk en temperatuur?
Leerling-verpleegkundige Noor: Show Zijn ademhalingsfrequentie is 22 per minuut, de pols is snel en warm, bloeddruk 95 over 60 en hij is een beetje suf.
Verpleegkundige Mark: Show Dat is een duidelijke afwijking, registreer het nauwkeurig in het rapport en ik kom zo bij hem kijken.
Open vragen:
1. Welke vitale functies meet jij vaak tijdens een dienst?
2. Wat doe jij als een meetwaarde erg afwijkt van de richtlijn?
Ongewone huidkleur en gedrag signaleren
Verzorgende Samira: Show Johan, ik wil iets signaleren bij mevrouw Jansen; haar huid is ineens heel bleek en een beetje blauw rond de lippen.
Teamleider Johan: Show En hoe is haar bewustzijnsniveau, is ze alert of juist suf of verward?
Verzorgende Samira: Show Ze is niet verward, maar wel minder alert dan vanochtend en ze zegt dat ze het heel koud heeft.
Teamleider Johan: Show Noteer deze observaties meteen in het dossier en ik bel direct de arts voor verdere opvolging.
Open vragen:
1. Welke veranderingen in gedrag of bewustzijnsniveau vind jij belangrijk om direct te melden?
2. Hoe beschrijf jij de kleur van de huid van een patiënt in je rapport?
Oefening 4: Reageer op de situatie
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
1. Je werkt op een somatische afdeling. Je ziet dat de patiënt ineens heel bleek is en veel zweet. Meld dit aan je collega-verpleegkundige en beschrijf wat je ziet. (Gebruik: De observatie, melden, ik zie dat...)
Mijn observatie is dat
Voorbeeld:
Mijn observatie is dat de patiënt ineens heel bleek is en veel zweet. Ik maak me een beetje zorgen en ik wil dit graag aan jou melden.
2. Je bent in de thuissituatie bij een oudere cliënt. De huid rond het stuitje is roder dan gisteren. Leg aan je collega aan de telefoon uit welke verandering je hebt opgemerkt. (Gebruik: De verandering, sinds gisteren, roder geworden)
De verandering is dat
Voorbeeld:
De verandering is dat de huid op het stuitje sinds gisteren duidelijk roder is geworden. Ik vind dat het sneller kan kapot gaan en ik wil dit graag met jou overleggen.
3. Je meet de pols van een patiënt op de verpleegafdeling. De pols is heel snel en onregelmatig. Geef aan de arts door wat je hebt gemeten en wat je opvalt. (Gebruik: De pols, snel, onregelmatig)
Ik merk aan de pols
Voorbeeld:
Ik merk aan de pols dat hij heel snel en onregelmatig is. De pols is nu honderd tien per minuut en dat is hoger dan normaal bij deze patiënt.
4. Je komt bij een cliënt thuis. De cliënt reageert traag en is moeilijk wakker te maken. Je moet dit kort registreren in het dossier en aan je leidinggevende melden. Beschrijf het bewustzijn van de cliënt. (Gebruik: Het bewustzijnsniveau, traag reageren, moeilijk wakker)
Het bewustzijnsniveau is
Voorbeeld:
Het bewustzijnsniveau is lager dan normaal. De cliënt reageert traag, is moeilijk wakker te maken en valt steeds weer in slaap. Ik heb dit meteen aan mijn leidinggevende gemeld.
Oefening 5: Schrijfopdracht
Instructie: Schrijf 4 of 5 zinnen over een moment waarop jij bij een patiënt een verandering ziet en hoe jij dat observeert en rapporteert.
Nuttige uitdrukkingen:
Ik observeer dat de patiënt… / De ademhaling is…, de pols is… / Ik registreer de waarden in… / Ik rapporteer dit aan mijn supervisor omdat…