1. Wortschatz (18)

De temperatuur Anzeigen

Die Temperatur Anzeigen

De hartslag Anzeigen

Die Herzfrequenz Anzeigen

De ademhaling Anzeigen

Die Atmung Anzeigen

De bloeddruk Anzeigen

Der Blutdruck Anzeigen

De saturatie Anzeigen

Die Sättigung Anzeigen

De bewustzijnsniveau Anzeigen

Das Bewusstseinsniveau Anzeigen

De kleur Anzeigen

Die Farbe Anzeigen

De consistentie Anzeigen

Die Konsistenz Anzeigen

De hoeveelheid Anzeigen

Die Menge Anzeigen

Stabiel Anzeigen

Stabil Anzeigen

Onregelmatig Anzeigen

Unregelmäßig Anzeigen

Koorts hebben Anzeigen

Fieber haben Anzeigen

Bewusteloos zijn Anzeigen

Bewusstlos sein Anzeigen

Afnemen (bijv. de tekenen afnemen) Anzeigen

Abnehmen (z. B. die Zeichen abnehmen) Anzeigen

Registreren Anzeigen

Dokumentieren Anzeigen

Rapporteren Anzeigen

Berichten Anzeigen

Opmerken Anzeigen

Bemerkten Anzeigen

Afkappen (bv. een infuus afkappen) Anzeigen

Abklemmen (z. B. einen Infusanschlauch abklemmen) Anzeigen

2. Übungen

Übung 1: Prüfungsvorbereitung

Anleitung: Lies den Text, fülle die Lücken mit den fehlenden Wörtern und beantworte die untenstehenden Fragen.


Observatie op de verpleegafdeling

Wörter zu verwenden: lichaamstemperatuur, registreert, ademhaling, supervisor, hartslag, bloeddruk, rapporteert

(Beobachtung auf der Station)

Sara is verpleegkundige in een ziekenhuis in Den Haag. Ze werkt op een interne afdeling. Aan het begin van de dienst leest ze eerst de dossiers van de patiënten. Daarna gaat ze langs de kamers om de patiënten te observeren.

Bij meneer De Vries meet Sara de bloeddruk, de lichaamstemperatuur, de hartslag en de ademhaling. De hartslag is wat snel, maar regelmatig. De ademhaling is rustig. De saturatie is goed. Meneer De Vries is alert en praat rustig met Sara.

Daarna gaat Sara naar mevrouw Janssen. Mevrouw kijkt suf en reageert langzaam. Haar huid voelt koud aan en haar gezicht is erg bleek. De ademhaling is onregelmatig en de ademhalingsfrequentie is hoog. Ook de pols is snel. Sara vindt dit veranderd gedrag.

Sara schrijft alle waarden in het dossier. Ze zorgvuldig de tijd, de , de , de en de . Dan belt ze meteen haar en haar observaties: mevrouw is suf, voelt koud aan en ademt onregelmatig. De supervisor komt direct naar de kamer om samen verder te kijken.
Sara ist Krankenschwester in einem Krankenhaus in Den Haag. Sie arbeitet auf einer internistischen Station. Zu Beginn der Schicht liest sie zuerst die Akten der Patienten. Danach geht sie zu den Zimmern, um die Patienten zu beobachten.

Bei Herrn De Vries misst Sara den Blutdruck, die Körpertemperatur, die Herzfrequenz und die Atmung. Die Herzfrequenz ist etwas erhöht, aber regelmäßig. Die Atmung ist ruhig. Die Sättigung ist gut. Herr De Vries ist aufmerksam und spricht ruhig mit Sara.

Dann geht Sara zu Frau Janssen. Frau Janssen wirkt benommen und reagiert langsam. Ihre Haut fühlt sich kalt an und ihr Gesicht ist sehr blass. Die Atmung ist unregelmäßig und die Atemfrequenz ist erhöht. Auch der Puls ist schnell. Sara empfindet dies als verändertes Verhalten.

Sara trägt alle Werte in die Akte ein. Sie dokumentiert sorgfältig die Uhrzeit, den Blutdruck , die Herzfrequenz , die Atmung und die Körpertemperatur . Dann ruft sie sofort ihre Vorgesetzte an und berichtet ihre Beobachtungen: Frau Janssen ist benommen, fühlt sich kalt an und atmet unregelmäßig. Die Vorgesetzte kommt direkt ins Zimmer, um gemeinsam weiter vorzugehen.

  1. Waarom maakt Sara zich zorgen over mevrouw Janssen? Noem twee observaties.

    (Warum macht Sara sich Sorgen um Frau Janssen? Nennen Sie zwei Beobachtungen.)

  2. Wat doet Sara met de gemeten waarden van de patiënten?

    (Was macht Sara mit den gemessenen Werten der Patienten?)

  3. Hoe reageert de supervisor als Sara haar observaties heeft gerapporteerd?

    (Wie reagiert die Vorgesetzte, nachdem Sara ihre Beobachtungen gemeldet hat?)

Übung 2: Mehrfachauswahl

Anleitung: Wählen Sie die richtige Lösung

1. Ik ___ dat de ademhaling van de patiënt onregelmatig is en ik rapporteer dat direct aan mijn supervisor.

(Ich ___ dass die Atmung des Patienten unregelmäßig ist, und ich berichte das sofort meinem Vorgesetzten.)

2. Daarna ___ ik de pols en de bloeddruk en registreer ik alle waarden in het elektronisch dossier.

(Danach ___ ich den Puls und den Blutdruck und trage alle Werte in der elektronischen Akte ein.)

3. Bij de volgende controle ___ wij ook de temperatuur en de saturatie, zodat de arts de veranderingen goed kan zien.

(Bei der nächsten Kontrolle ___ wir zudem Temperatur und Sättigung, damit der Arzt die Veränderungen gut erkennen kann.)

4. Als ik een afwijkende waarde zie, ___ ik dat meteen en beschrijf ik de hoeveelheid, kleur en consistentie zo precies mogelijk.

(Wenn ich einen auffälligen Wert sehe, ___ ich das sofort und beschreibe Menge, Farbe und Konsistenz so genau wie möglich.)

Übung 3: Dialogkarten

Anleitung: Wähle eine Situation aus und übe das Gespräch mit deinem Lehrer oder deinen Mitschülern.

Übung 4: Auf die Situation reagieren

Anleitung: Übe zu zweit oder mit deiner Lehrkraft.

1. Je werkt op een somatische afdeling. Je ziet dat de patiënt ineens heel bleek is en veel zweet. Meld dit aan je collega-verpleegkundige en beschrijf wat je ziet. (Gebruik: De observatie, melden, ik zie dat...)

(Je werkt op een somatische afdeling. Je ziet dat de patiënt ineens heel bleek is en veel zweet. Meld dit aan je collega‑verpleegkundige en beschrijf wat je ziet. (Gebruik: De observatie, melden, ik zie dat...))

Mijn observatie is dat  

(Mijn observatie is dat ...)

Beispiel:

Mijn observatie is dat de patiënt ineens heel bleek is en veel zweet. Ik maak me een beetje zorgen en ik wil dit graag aan jou melden.

(Mijn observatie is dat de patiënt ineens heel bleek is en veel zweet. Ik maak me zorgen en wil dit graag aan jou melden.)

2. Je bent in de thuissituatie bij een oudere cliënt. De huid rond het stuitje is roder dan gisteren. Leg aan je collega aan de telefoon uit welke verandering je hebt opgemerkt. (Gebruik: De verandering, sinds gisteren, roder geworden)

(Je bent in de thuissituatie bij een oudere cliënt. De huid rond het stuitje is roder dan gisteren. Leg aan je collega aan de telefoon uit welke verandering je hebt opgemerkt. (Gebruik: De verandering, sinds gisteren, roder geworden))

De verandering is dat  

(De verandering is dat ...)

Beispiel:

De verandering is dat de huid op het stuitje sinds gisteren duidelijk roder is geworden. Ik vind dat het sneller kan kapot gaan en ik wil dit graag met jou overleggen.

(De verandering is dat de huid bij het stuitje sinds gisteren duidelijk roder is geworden. Ik denk dat de huid sneller kapot kan gaan en wil dit graag met jou bespreken.)

3. Je meet de pols van een patiënt op de verpleegafdeling. De pols is heel snel en onregelmatig. Geef aan de arts door wat je hebt gemeten en wat je opvalt. (Gebruik: De pols, snel, onregelmatig)

(Je meet de pols van een patiënt op de verpleegafdeling. De pols is heel snel en onregelmatig. Geef aan de arts door wat je hebt gemeten en wat je opvalt. (Gebruik: De pols, snel, onregelmatig))

Ik merk aan de pols  

(Ik merk aan de pols ...)

Beispiel:

Ik merk aan de pols dat hij heel snel en onregelmatig is. De pols is nu honderd tien per minuut en dat is hoger dan normaal bij deze patiënt.

(Ik merk aan de pols dat deze heel snel en onregelmatig is. De pols is nu 110 per minuut en dat is hoger dan normaal voor deze patiënt.)

4. Je komt bij een cliënt thuis. De cliënt reageert traag en is moeilijk wakker te maken. Je moet dit kort registreren in het dossier en aan je leidinggevende melden. Beschrijf het bewustzijn van de cliënt. (Gebruik: Het bewustzijnsniveau, traag reageren, moeilijk wakker)

(Je komt bij een cliënt thuis. De cliënt reageert traag en is moeilijk wakker te maken. Je moet dit kort registreren in het dossier en aan je leidinggevende melden. Beschrijf het bewustzijn van de cliënt. (Gebruik: Het bewustzijnsniveau, traag reageren, moeilijk wakker))

Het bewustzijnsniveau is  

(Het bewustzijnsniveau is ...)

Beispiel:

Het bewustzijnsniveau is lager dan normaal. De cliënt reageert traag, is moeilijk wakker te maken en valt steeds weer in slaap. Ik heb dit meteen aan mijn leidinggevende gemeld.

(Het bewustzijnsniveau is lager dan normaal. De cliënt reageert traag, is moeilijk wakker te maken en valt steeds weer in slaap. Ik heb dit direct aan mijn leidinggevende gemeld.)

Übung 5: Schreibübung

Anleitung: Schreiben Sie 4 oder 5 Sätze über einen Moment, in dem Sie bei einem Patienten eine Veränderung bemerken und wie Sie diese beobachten und melden.

Nützliche Ausdrücke:

Ik observeer dat de patiënt… / De ademhaling is…, de pols is… / Ik registreer de waarden in… / Ik rapporteer dit aan mijn supervisor omdat…