Woordenschat (20)

Die Einladung (zu) — jemanden einladen, eine Einladung schicken Show

De uitnodiging — iemand uitnodigen, een uitnodiging sturen Show

Die Veranstaltung — an einer Veranstaltung teilnehmen Show

Het evenement — aan een evenement deelnemen Show

Das Fest — ein Fest organisieren / feiern Show

Het feest — een feest organiseren / vieren Show

Der Feiertag — an einem Feiertag geschlossen haben / feiern Show

De feestdag — op een feestdag gesloten zijn / vieren Show

Die Feierlichkeit — formelle Feierlichkeit / informelle Feierlichkeit Show

De plechtigheid — formele plechtigheid / informele plechtigheid Show

Die Verabredung — eine Verabredung treffen / absagen Show

De afspraak — een afspraak maken / afzeggen Show

Die Anmeldung — sich anmelden / die Anmeldefrist Show

De aanmelding — zich aanmelden / de aanmeldingsdeadline Show

Das Programm — das Programm planen / bekannt geben Show

Het programma — het programma plannen / bekendmaken Show

Der Ablauf — der Ablauf der Veranstaltung / den Ablauf erklären Show

Het verloop — het verloop van het evenement / het verloop uitleggen Show

Das Buffet — ein Buffet vorbereiten / am Buffet bedienen sich die Gäste Show

Het buffet — een buffet voorbereiden / gasten bedienen zich aan het buffet Show

Die Rede — eine kurze Rede halten / eine Dankesrede Show

De toespraak — een korte toespraak houden / een dankwoord Show

Geschenke überreichen — ein Geschenk mitbringen / ein Geschenk überreichen Show

Cadeaus overhandigen — een cadeau meebrengen / een cadeau overhandigen Show

Die Verwandtenversammlung — Treffen der Familie / an der Versammlung teilnehmen Show

De familiebijeenkomst — familieontmoeting / aan de bijeenkomst deelnemen Show

Gemeinsame Aktivität vorschlagen — gemeinsame Aktivität vorschlagen (z. B. Spaziergang, Spiel) und organisieren Show

Gezamenlijke activiteit voorstellen — een gezamenlijke activiteit voorstellen (bijv. wandeling, spel) en organiseren Show

Die Grußformel — Begrüßungs- und Abschiedsformeln verwenden (z. B. „Herzlich willkommen“, „Schönen Abend noch") Show

De groetformule — begroetings- en afscheidsgroeten gebruiken (bijv. 'Hartelijk welkom', 'Fijne avond verder') Show

Absagen — eine Teilnahme absagen / bitte rechtzeitig absagen Show

Afzeggen — deelname afzeggen / graag tijdig afzeggen Show

Zusage geben — seine Teilnahme zusagen / eine verbindliche Zusage Show

Een toezegging doen — deelname bevestigen / een bindende toezegging Show

Gastgeber sein — Gastgeber/in sein / die Gäste begrüßen Show

Gastheer/-vrouw zijn — gastheer/gastvrouw zijn / de gasten verwelkomen Show

Sich verabreden — sich mit jemandem verabreden / einen Treffpunkt vereinbaren Show

Afspraken maken — met iemand afspreken / een ontmoetingspunt afspreken Show

Smalltalk führen — Smalltalk über Wetter, Hobbys, Arbeit beginnen Show

Smalltalk voeren — smalltalk over het weer, hobby's, werk beginnen Show