1. Woordenschat (18)

La chambre Show

De kamer Show

La salle d'attente Show

De wachtkamer Show

La salle d'opération Show

De operatiekamer Show

Le bloc opératoire Show

De operatiekamer (blok) Show

La réception Show

De receptie Show

Le service Show

De afdeling Show

Le département Show

Het departement Show

La civière Show

De brancard Show

Le fauteuil roulant Show

De rolstoel Show

Le lit d'hôpital Show

Het ziekenhuisbed Show

L'appareil d'oxygène Show

Het zuurstofapparaat Show

Le moniteur cardiaque Show

De hartmonitor Show

La perfusion Show

Het infuus Show

La blouse Show

De verpleegkundigejas Show

Les chaussures de sécurité Show

De veiligheidsschoenen Show

L'éducation Show

De opleiding Show

Le niveau d'études Show

Het opleidingsniveau Show

Le diplôme Show

Het diploma Show

2. Oefeningen

Oefening 1: Examenvoorbereiding

Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder


Mon rôle dans le service de cardiologie

Woorden om te gebruiken: lit, tournée, roulant, service, hôpital, poste, diplôme, radiologie

(Mijn rol op de afdeling cardiologie)

Je m’appelle Karim et je suis médecin dans un public à Lyon. J’ai un de médecine de mon pays et un master en santé publique. En France, je dois encore faire des stages et des formations, mais je travaille déjà avec l’équipe.

Je travaille surtout dans le de cardiologie. Notre service est au troisième étage. À côté, il y a le service de et, plus loin, le service des urgences. Je commence ma journée à 8 heures. D’abord, je vais au de soins pour parler avec les infirmières et les aides-soignants. Nous regardons les dossiers patients et nous organisons la du matin.

Ensuite, je vais dans les chambres des patients. Je vérifie le médicalisé, l’appareil de monitorage et le tensiomètre. Je porte toujours une blouse blanche, un badge d’identification et des chaussures de sécurité. Quand un patient ne peut pas marcher, nous utilisons un fauteuil ou un brancard pour aller à la salle d’examen ou à la salle d’opération.

Mon travail est très varié : je donne des consignes à l’équipe, j’explique les traitements aux patients et je travaille en équipe avec les autres médecins. J’aime mon poste, car je peux utiliser mon expérience et apprendre le système de santé français.
Mijn naam is Karim en ik ben arts in een openbaar ziekenhuis in Lyon. Ik heb een geneeskundediploma uit mijn land en een master in volksgezondheid. In Frankrijk moet ik nog stages en opleidingen volgen, maar ik werk al samen met het team.

Ik werk vooral op de afdeling cardiologie. Onze afdeling bevindt zich op de derde verdieping. Ernaast is de afdeling radiologie en iets verderop de spoedeisende hulp. Ik begin mijn werkdag om 8 uur. Eerst ga ik naar het verpleegpost om met de verpleegkundigen en de verzorgenden te overleggen. We bekijken de patiëntendossiers en we organiseren de ochtendronde.

Vervolgens ga ik naar de kamers van de patiënten. Ik controleer het medische bed, het monitoringsapparaat en de bloeddrukmeter. Ik draag altijd een witte jas, een identificatiebadge en veiligheidsschoenen. Als een patiënt niet kan lopen, gebruiken we een rolstoel of een brancard om naar de onderzoeksruimte of naar de operatiekamer te gaan.

Mijn werk is erg gevarieerd: ik geef instructies aan het team, ik leg de behandelingen aan de patiënten uit en ik werk samen met de andere artsen. Ik houd van mijn functie, omdat ik mijn ervaring kan inzetten en het Franse zorgsysteem kan leren.

  1. Quel est le niveau d’études de Karim et que doit-il encore faire en France ?

    (Wat is Karims opleidingsniveau en wat moet hij nog doen in Frankrijk?)

  2. Où se trouve son service dans l’hôpital et quels autres services sont à proximité ?

    (Waar bevindt zijn afdeling zich in het ziekenhuis en welke andere afdelingen zijn in de buurt?)

  3. Quelles sont deux ou trois tâches que Karim fait pendant sa journée de travail ?

    (Noem twee of drie taken die Karim uitvoert tijdens zijn werkdag.)

Oefening 2: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Je me présente : je ___ infirmier et je travaille dans le service de chirurgie.

(Ik stel me voor: ik ___ verpleegkundige en ik werk op de dienst chirurgie.)

2. À la réception, j’___ les patients et je leur indique la salle d’attente.

(Bij de receptie ___ ik de patiënten en wijs ik hen de wachtkamer aan.)

3. Ensuite, je les ___ vers la salle d’examen ou vers leur chambre.

(Vervolgens ___ ik hen naar de onderzoeksruimte of naar hun kamer.)

4. Au bloc opératoire, nous ___ la blouse, les chaussures de sécurité et notre badge d’identification.

(In de operatiekamer ___ we de operatieschort, veiligheidsschoenen en onze identificatiebadge.)

Oefening 3: Gesprekskaarten

Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 4: Reageer op de situatie

Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.

1. Tu arrives dans un nouvel hôpital pour ton premier jour de travail. À la réception, tu dois te présenter et expliquer ton niveau d’études et ta formation professionnelle. (Utilise : le diplôme, le niveau d’études, la formation professionnelle)

(Je komt aan in een nieuw ziekenhuis voor je eerste werkdag. Bij de receptie moet je jezelf voorstellen en je opleidingsniveau en beroepsopleiding uitleggen. (Gebruik: le diplôme, le niveau d'études, la formation professionnelle))

Pour ma formation  

(Pour ma formation ...)

Voorbeeld:

Pour ma formation professionnelle, j’ai un diplôme d’infirmier et un niveau d’études bac +3.

(Pour ma formation professionnelle, j'ai un diplôme d'infirmier et un niveau d'études bac +3.)

2. Un collègue d’un autre service te demande où tu travailles exactement. Explique ton service et ce que tu fais en général. (Utilise : le service, le département, être en service)

(Een collega van een andere afdeling vraagt waar je precies werkt. Leg uit welke afdeling je hebt en wat je over het algemeen doet. (Gebruik: le service, le département, être en service))

Dans mon service  

(Dans mon service ...)

Voorbeeld:

Dans mon service, je suis en service au département de chirurgie. Je m’occupe des patients après l’opération.

(Dans mon service, je suis en service au département de chirurgie. Je m'occupe des patients après l'opération.)

3. Un patient arrive et ne connaît pas l’hôpital. Il te demande où est la salle d’attente et sa chambre. Donne des explications simples pour s’orienter. (Utilise : la réception, la salle d’attente, la chambre)

(Een patiënt komt binnen en kent het ziekenhuis niet. Hij vraagt waar de wachtkamer en zijn kamer zijn. Geef eenvoudige routeaanwijzingen om zich te oriënteren. (Gebruik: la réception, la salle d'attente, la chambre))

Pour la salle d’attente  

(Pour la salle d'attente ...)

Voorbeeld:

Pour la salle d’attente, vous allez tout droit après la réception, puis à gauche. Votre chambre est au deuxième étage, chambre 210.

(Pour la salle d'attente, vous allez tout droit après la réception, puis à gauche. Votre chambre est au deuxième étage, chambre 210.)

4. Tu dois expliquer à un patient que tu vas prendre la tension et utiliser un tensiomètre. Rassure le patient et explique la procédure simplement. (Utilise : prendre la tension, le tensiomètre, expliquer la procédure)

(Je moet een patiënt uitleggen dat je zijn bloeddruk gaat meten en een bloeddrukmeter gaat gebruiken. Stel de patiënt gerust en leg de procedure eenvoudig uit. (Gebruik: prendre la tension, le tensiomètre, expliquer la procédure))

Avec le tensiomètre  

(Avec le tensiomètre ...)

Voorbeeld:

Avec le tensiomètre, je vais prendre votre tension. Je mets le brassard sur votre bras, ça serre un peu mais ce n’est pas douloureux.

(Avec le tensiomètre, je vais prendre votre tension. Je mets le brassard sur votre bras, ça serre un peu maar ce n'est pas douloureux.)

Oefening 5: Schrijfopdracht

Instructie: Schrijf in 5 of 6 zinnen: presenteer jouw huidige of toekomstige rol in een ziekenhuis of een andere zorginstelling: je opleiding, je afdeling, je belangrijkste taken en je werkkleding of -uitrusting.

Nuttige uitdrukkingen:

Je travaille dans le service de … / J’ai un diplôme en … / Je commence ma journée à … / Je porte au travail …