Overzicht Franse grammatica niveau A2

Officieel curriculum Gestructureerde cursussen van A1 tot C1
3 maanden om te voltooien Flexibele duur, aangepast aan je schema
Suited for Exam preparation Delf/Dalf
Leerportaal App + PDF-downloads

A2.1.2: Adjectifs féminins : -el, -er, -f, -eux (Adjectifs féminins : -el, -er, -f, -eux)

Type: Bijvoeglijke naamwoorden
Hoofdstuk: Des plans de vacances (Vakantieplannen)
Module 1 (A2): Voyager : en pleine nature ! (Reizen: op avontuur!)

A2.2.2: Pronoms : celui, celle, ceux, celles (Pronouns : celui, celle, ceux, celles)

Type: Voornaamwoorden
Hoofdstuk: Faire vos valises (Je bagage pakken)
Module 1 (A2): Voyager : en pleine nature ! (Reizen: op avontuur!)

A2.3.2: Les adjectifs : accords particuliers (Bijvoeglijke naamwoorden: bijzondere overeenkomsten)

Type: Bijvoeglijke naamwoorden
Hoofdstuk: Réservez votre hébergement (Boek uw accommodatie)
Module 1 (A2): Voyager : en pleine nature ! (Reizen: op avontuur!)

A2.4.2: Les comparatifs et superlatifs irréguliers (Onregelmatige vergrotende en overtreffende trap)

Type: Bijvoeglijke naamwoorden
Hoofdstuk: At the airport and in the plane (At the airport and in the plane)
Module 1 (A2): Voyager : en pleine nature ! (Reizen: op avontuur!)

A2.5.2: Mouvements + prépositions: Aller à, venir de , partir à (Aller à, venir de , partir à)

Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: Louez votre moyen de transport (Transport huren)
Module 1 (A2): Voyager : en pleine nature ! (Reizen: op avontuur!)

A2.6.2: Cause et but (à cause de, pour) (Oorzaak en doel (à cause de, pour))

Type: Zinnen / woordcombinaties
Hoofdstuk: À l'hôtel (Op hotel)
Module 1 (A2): Voyager : en pleine nature ! (Reizen: op avontuur!)

A2.7.2: Négations (jamais, rien, personne) (Negaties (jamais, rien, personne))

Type: Zinnen / woordcombinaties
Hoofdstuk: En tant que touriste dans la ville (Als toerist in de stad)
Module 1 (A2): Voyager : en pleine nature ! (Reizen: op avontuur!)

A2.8.2: Doubles pronoms (me le, me la) (Dubbele voornaamwoorden (me le, me la))

Type: Voornaamwoorden
Hoofdstuk: Une catastrophe de vacances ? (Vakantieramp?)
Module 1 (A2): Voyager : en pleine nature ! (Reizen: op avontuur!)

A2.9.2: Le passé récent (De pas récent)

Type: Zinnen / woordcombinaties
Hoofdstuk: Paperasserie et bureaucratie (Papierwerk en bureaucratie)
Module 2 (A2): Société et gouvernement (Maatschappij en overheid)

A2.10.2: Passé composé : verbes irréguliers (Passé composé: onregelmatige werkwoorden)

Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: As-tu entendu les nouvelles ? (Heb je het nieuws gehoord?)
Module 2 (A2): Société et gouvernement (Maatschappij en overheid)

A2.11.2: Imparfait : verbes réguliers (Imparfait: regelmatige werkwoorden)

Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: Services d'urgence (Hulpdiensten)
Module 2 (A2): Société et gouvernement (Maatschappij en overheid)

A2.12.2: Imparfait : verbes irréguliers (Onvoltooid verleden tijd: onregelmatige werkwoorden)

Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: Mon temps à l'école (Mijn tijd op school)
Module 2 (A2): Société et gouvernement (Maatschappij en overheid)

A2.13.2: Imparfait vs passé composé (Imparfait versus passé composé)

Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: À la banque (Bij de bank)
Module 2 (A2): Société et gouvernement (Maatschappij en overheid)

A2.14.2: Les marqueurs temporels : il y a, depuis que, lorsque (De temporele markers: il y a, depuis que, lorsque)

Type: Voorzetsels
Hoofdstuk: Diplôme universitaire (Universitaire opleiding)
Module 2 (A2): Société et gouvernement (Maatschappij en overheid)

A2.15.2: Passé: passé composé, passé récent imparfait (Passé: passé composé, passé récent imparfait)

Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: Le gouvernement et les élections (De regering en verkiezingen)
Module 2 (A2): Société et gouvernement (Maatschappij en overheid)

A2.16.2: Le futur simple : cas réguliers (De futur simple: regelmatige gevallen)

Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: Aller à un concert (Naar een concert gaan)
Module 3 (A2): Projets du week-end (Weekendplannen)

A2.17.2: Futur proche vs futur simple (Vervoeging: futur proche versus futur simple)

Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: Rendre visite à des amis (Vrienden bezoeken)
Module 3 (A2): Projets du week-end (Weekendplannen)

A2.18.2: Le futur simple : cas irréguliers (De toekomstsimplex: onregelmatige gevallen)

Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: Visiter la campagne (Bezoek het platteland)
Module 3 (A2): Projets du week-end (Weekendplannen)

A2.19.2: Les conjonctions de conséquences : ainsi, si bien que, par conséquent (De gevolgschikkende voegwoorden: ainsi, si bien que, par conséquent)

Type: Voegwoord
Hoofdstuk: Au camping (Op de camping)
Module 3 (A2): Projets du week-end (Weekendplannen)

A2.20.1: Les pronoms relatifs : qui, que, où, dont (De betrekkelijke voornaamwoorden: qui, que, où, dont)

Type: Voornaamwoorden
Hoofdstuk: Sortie en famille au zoo (Familie-uitje naar de dierentuin)
Module 3 (A2): Projets du week-end (Weekendplannen)

A2.21.1: Les pronoms relatifs composés (lequel, laquelle, lesquels, lesquelles) (De samengestelde betrekkelijke voornaamwoorden (lequel, laquelle, lesquels, lesquelles))

Type: Voornaamwoorden
Hoofdstuk: Going for a Sunday walk (Going for a Sunday walk)
Module 3 (A2): Projets du week-end (Weekendplannen)

A2.22.2: Les pronoms possessifs (le mien, le tien, le sien, le nôtre, le vôtre, le leur) (De bezittelijke voornaamwoorden (le mien, le tien, le sien, le nôtre, le vôtre, le leur))

Type: Voornaamwoorden
Hoofdstuk: Hygiène personnelle (Persoonlijke hygiëne)
Module 4 (A2): Mode de vie (Levensstijl)

A2.23.2: Les mots de liaison: d'abord, ensuite, enfin, de même que, autant que... (De verbindingswoorden: ten eerste, vervolgens, tenslotte, evenals, evenals...)

Type: Voegwoord
Hoofdstuk: Cours de loisirs (Hobbylessen)
Module 4 (A2): Mode de vie (Levensstijl)

A2.24.2: Adjectifs indéfinis : tout, chaque, aucun (Onbepaalde bijvoeglijke naamwoorden: tout, chaque, aucun)

Type: Bijvoeglijke naamwoorden
Hoofdstuk: Repas à emporter (Afhaalmaaltijden)
Module 4 (A2): Mode de vie (Levensstijl)

A2.25.2: Le pronom on : nous, ils, quelqu’un (Het voornaamwoord on: nous, ils, quelqu’un)

Type: Voornaamwoorden
Hoofdstuk: Alimentation et habitudes saines (Gezonde voeding en gewoontes)
Module 4 (A2): Mode de vie (Levensstijl)

A2.26.2: Adverbes en -ment : formation et place (Bijwoorden op -ment: vorming en plaats)

Type: Bijwoorden
Hoofdstuk: Transport (durable) ((Duurzaam) vervoer)
Module 4 (A2): Mode de vie (Levensstijl)

A2.27.2: Prépositions de lieu : près de, au bord de, devant, ... (Voorzetsels van plaats : près de, au bord de, devant, ...)

Type: Voorzetsels
Hoofdstuk: Styles de vêtements et mode (Kledingstijlen en mode)
Module 4 (A2): Mode de vie (Levensstijl)

A2.28.1: Les adverbes de fréquence (De bijwoorden van frequentie)

Type: Bijwoorden
Hoofdstuk: Exercice et style de vie (Oefening en levensstijl)
Module 4 (A2): Mode de vie (Levensstijl)

A2.29.1: Le conditionnel présent : formes régulières (De présentvoorwaardelijke wijs: regelmatige vormen)

Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: Chez l'agent immobilier (Bij de makelaar)
Module 5 (A2): Ménage quotidien (Dagelijks huishouden)

A2.30.1: Le conditionnel présent : formes irrégulières (De tegenwoordige voorwaardelijke wijs: onregelmatige vormen)

Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: À la bibliothèque (In de bibliotheek)
Module 5 (A2): Ménage quotidien (Dagelijks huishouden)

A2.31.1: Le conditionnel de politesse : "Je voudrais, J’aimerais, On pourrait" (De beleefdheidsvoorwaardelijke wijs: "Ik zou willen, Ik zou graag willen, We zouden kunnen")

Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: Liste de choses à faire (Bucketlist)
Module 5 (A2): Ménage quotidien (Dagelijks huishouden)

A2.32.1: Les verbes prépositionnels : arrêter de, penser à, continuer à (Voorzetselwerkwoorden: arrêter de, penser à, continuer à)

Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: Plans familiaux (Gezinsplannen)
Module 5 (A2): Ménage quotidien (Dagelijks huishouden)

A2.33.1: Ça fait que et Il faut (Ça fait que en Il faut)

Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: Ma propre entreprise (Mijn eigen bedrijf)
Module 5 (A2): Ménage quotidien (Dagelijks huishouden)

A2.34.1: Le gérondif de temps, de manière, de condition (De gerundium van tijd, wijze, voorwaarde)

Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: Être à la retraite (Met pensioen gaan)
Module 5 (A2): Ménage quotidien (Dagelijks huishouden)

A2.35.1: Ni...ni, ou...ou en contexte (Ni...ni, of...of in context)

Type: Voegwoord
Hoofdstuk: Services et commerces de proximité (Lokale diensten en winkels)
Module 5 (A2): Ménage quotidien (Dagelijks huishouden)

A2.36.1: L'impératif : forme affirmative (De gebiedende wijs: bevestigende vorm)

Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: De la poste au courrier électronique (Van postkantoor naar e-mail)
Module 6 (A2): Au travail (Op het werk)

A2.37.1: L'impératif: pronoms compléments (De gebiedende wijs: voornaamwoordelijke voorwerpen)

Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: À la recherche d'un emploi (Op zoek naar een baan)
Module 6 (A2): Au travail (Op het werk)

A2.38.1: L'impératif : forme négative (De gebiedende wijs: negatieve vorm)

Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: Entretien d'embauche (Sollicitatiegesprek)
Module 6 (A2): Au travail (Op het werk)

A2.39.1: Exprimer la possibilité et la nécessité(pouvoir, devoir, il faut) (Exprimer la possibilité et la nécessité (pouvoir, devoir, il faut))

Type: Zinnen / woordcombinaties
Hoofdstuk: Travail en équipe (Teamwerk)
Module 6 (A2): Au travail (Op het werk)

A2.40.1: Accord ou désaccord (moi aussi, pas du tout) (Akkoord of niet akkoord (moi aussi, pas du tout))

Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: Bureau et réunions (Kantoor en vergaderingen)
Module 6 (A2): Au travail (Op het werk)

A2.41.1: Exprimer son avis (je pense que, à mon avis) (Je geeft je mening (je pense que, à mon avis))

Type: Zinnen / woordcombinaties
Hoofdstuk: Avis et négociations (Meningen en onderhandelingen)
Module 6 (A2): Au travail (Op het werk)

A2.42.1: Discours indirect avec l'imparfait (Indirecte redevoering met de imparfait)

Type: Zinnen / woordcombinaties
Hoofdstuk: Organisation et délégation (Organisatie en delegatie)
Module 6 (A2): Au travail (Op het werk)

A2.43.1: La forme passive: passé composé (De lijdende vorm: passé composé)

Type: Zinnen / woordcombinaties
Hoofdstuk: Travail à distance ou au bureau ? (Thuiswerken of op kantoor?)
Module 6 (A2): Au travail (Op het werk)