Bijwoorden op -ment: vorming en plaatsing

Adverbes en -ment : formation et place


Les adverbes en -ment décrivent comment une action se passe et se forment souvent avec un adjectif féminin + -ment : rapide, rapidement.

(De bijwoorden op -ment beschrijven hoe een handeling gebeurt en worden vaak gevormd met een vrouwelijk bijvoeglijk naamwoord + -ment: rapide, rapidement.)

Wanneer gebruik je een bijwoord op -ment?

  • Bijvoeglijk naamwoord (adjectif) = zegt iets over een zelfstandig naamwoord.
    Un métro rapide (een snelle metro).
  • Bijwoord (adverbe) = zegt iets over een werkwoord (hoe/waarom/hoe vaak iets gebeurt).
    Le métro arrive rapidement (hij komt snel aan).

Snelle check: Kun je in het Nederlands “hoe?” vragen bij het werkwoord? Dan heb je meestal een bijwoord nodig.

Vorming: adjectief (vrouwelijk) + -ment

  1. Neem het vrouwelijk van het adjectief.
  2. Zet er -ment achter.
Adjectief Vrouwelijk Bijwoord
rapide rapide rapidement
facile facile facilement
clair claire clairement
lent lente lentement
sérieux sérieuse sérieusement
vrai vraie vraiment

Tip: Je ziet het vaak meteen: claireclairement (dus niet van clair vertrekken in dit type regel).

Veelgemaakte fout: adjectief gebruiken i.p.v. bijwoord

  • Il travaille sérieux.Il travaille sérieusement.
  • Elle explique clair.Elle explique clairement.
  • Le tram avance lent.Le tram avance lentement.

Waarom? travaille / explique / avance zijn werkwoorden. Je beschrijft de actie, dus je gebruikt een bijwoord.

Uitzondering die je echt nodig hebt: -ent → -emment

Als het adjectief eindigt op -ent, dan wordt het bijwoord meestal:

-emment (met dubbele m).

Adjectief Bijwoord Voorbeeld
fréquent fréquemment Le bus passe fréquemment.
  • fréquentment (fout: je mist -em- en de dubbele m)

Plaats in de zin: meestal na het werkwoord

  • Werkwoord + bijwoord: Il arrive fréquemment.
  • Werkwoord + lijdend voorwerp + bijwoord: Elle explique le problème clairement.

Praktische richtlijn: zet het bijwoord zo dicht mogelijk bij de actie die je beschrijft.

Zelfcheck (20 seconden)

  1. Wil ik iets zeggen over een actie? → ik heb een bijwoord nodig.
  2. Kan ik het bijwoord maken met vrouwelijk + -ment?
  3. Eindigt het adjectief op -ent? → dan -emment.
  4. Staat het bijwoord na het werkwoord (meestal)?
  1. vrouwelijk bijvoeglijk naamwoord + -ment → bijwoord.
  2. Bijwoorden staan vaak na het werkwoord.
Adjectif (Bijvoeglijk naamwoord)Adverbe (Bijwoord)Exemple (Voorbeeld)
Rapide (Snel)Rapidement (Snel)Elle parle rapidement. (Zij praat snel.)
Facile (Makkelijk)Facilement (Makkelijk)Il termine ses devoirs facilement. (Hij maakt zijn huiswerk makkelijk af.)
Vrai (Echt)Vraiment (Echt)Elle a vraiment aimé la conférence. (Zij heeft de conferentie echt leuk gevonden.)
Lent (Langzaam)Lentement (Langzaam)Il a marché lentement. (Hij heeft langzaam gelopen.)
Sérieux (Ernstig)Sérieusement (Ernstig)Il travaille sérieusement. (Hij werkt serieus.)
Claire (Duidelijk)Clairement (Duidelijk)Elle a expliqué clairement le problème. (Zij heeft het probleem duidelijk uitgelegd.)
Fréquent (Frequent)Fréquemment (Vaak)Les trains arrivent fréquemment. (De treinen komen vaak.)

Uitzonderingen!

  1. Als het bijvoeglijk naamwoord eindigt op -ent, wordt het bijwoord op -emment.

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. Je prends le métro : il arrive _____ à cette station.

Ik neem de metro: hij komt _____ op dit station aan.

2. Le conducteur explique _____ où se trouve l'arrêt du bus.

De bestuurder legt _____ uit waar de bushalte zich bevindt.

3. Avec les travaux, le tram avance _____ sur la ligne 2.

Door de werken rijdt de tram _____ op lijn 2.

4. Je vais _____ essayer le vélo pour venir au bureau.

Ik ga _____ proberen om met de fiets naar kantoor te komen.

Oefening 2: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste zin.

1.
Fout: « rapide » is een bijvoeglijk naamwoord; je hebt een bijwoord nodig om het werkwoord « vais » te wijzigen → « rapidement ».
Spelfout: het correcte bijwoord is « rapidement » (rapide + -ment), niet « rapidemment ».
2.
Spelfout: het bijwoord wordt geschreven « fréquemment » (fréquent → fréquemment), niet « frequentment ».
Fout: « fréquent » is een bijvoeglijk naamwoord; om over de handeling « arrive » te spreken gebruik je het bijwoord « fréquemment ».

Oefening 3: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zin met het bijwoord en gebruik de vorm adjectif (féminin) + -ment; plaats het bijwoord na het werkwoord.

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Elle est rapide au téléphone.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Elle parle rapidement au téléphone.
    (Elle parle rapidement au téléphone.)
  2. Il est sérieux au travail.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Il travaille sérieusement.
    (Il travaille sérieusement.)
  3. L’explication est claire.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Elle explique clairement le problème.
    (Elle explique clairement le problème.)
  4. La secrétaire est gentille avec les clients.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    La secrétaire répond gentiment aux clients.
    (La secrétaire répond gentiment aux clients.)

Oefening 4: Grammatica in actie

Instructie: Werk in tweetallen, plan een route en verantwoord jullie vervoerskeuzes.

Vertaling tonen/verbergen
Situatie
Vous arrivez à Paris et cherchez un trajet écologique pour aller au bureau.
(Je komt aan in Parijs en zoekt een milieuvriendelijke route om naar kantoor te gaan.)

Bespreek
  • Quel transport en commun est le plus pratique pour vous, et pourquoi ? (Welk openbaar vervoer is voor jou het handigst, en waarom?)
  • Le bus passe-t-il souvent dans votre quartier ou plutôt rarement ? Expliquez clairement. (Rijdt de bus vaak in jouw buurt of juist zelden? Leg dat duidelijk uit.)

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • Le métro est rapide : on arrive rapidement à la station. (De metro is snel: je bent snel bij het station.)
  • Le tram passe fréquemment près de mon arrêt. (De tram rijdt vaak bij mijn halte.)
  • Je prends le vélo et je roule lentement sur la piste cyclable. (Ik neem de fiets en rijd rustig op het fietspad.)

Gebruik in gesprek
  • adverbes en -ment après le verbe (Il arrive fréquemment, on marche lentement) (bijwoorden op -ment na het werkwoord (Il arrive fréquemment, on marche lentement))
  • formation adjectif féminin + -ment (rapide → rapidement, facile → facilement, claire → clairement) (vorming vrouwelijk bijvoeglijk naamwoord + -ment (rapide → rapidement, facile → facilement, claire → clairement))
  • -ent → -emment (fréquent → fréquemment) (-ent → -emment (fréquent → fréquemment))

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Alessia Calcagni

Talen voor communicatie in internationale ondernemingen en organisaties

Università degli Studi di Modena e Reggio Emilia

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

vrijdag, 20/03/2026 11:17