Ces expressions situent une action dans le temps : il y a, depuis que, lorsque, au moment où, à ce moment-là, lors de.

(Deze uitdrukkingen plaatsen een handeling in de tijd: il y a, depuis que, lorsque, au moment où, à ce moment-là, lors de.)

Kies de juiste tijdsuitdrukking: eerst “duur” of “moment”?

Deze uitdrukkingen helpen je om een gebeurtenis in de tijd te plaatsen. Stel jezelf altijd eerst één vraag:

  • Gaat het om een afgesloten moment in het verleden?il y a + duur
  • Gaat het om een startpunt in het verleden dat doorloopt tot nu?depuis que + zin
  • Gaat het om een precies moment ("toen")?lorsque / au moment où + zin
  • Gaat het om “tijdens” + zelfstandig naamwoord?lors de + naamwoord
  • Wil je terugverwijzen: “op dat moment”?à ce moment-là

Il y a: “... geleden” (afgesloten verleden)

  • Structuur: il y a + duur (deux jours, trois semaines, un an…)
  • Betekenis: het gebeurde x tijd vóór nu en is klaar.
Correct J’ai obtenu mon diplôme il y a deux ans.
Typische fout Il y a j’ai obtenu mon diplôme. → fout: na il y a komt normaal een duur, geen bijzin.

Let op: il y a combineert heel vaak met passé composé (iets afgeronds).

Depuis que: “sinds (dat)” + iets dat doorloopt tot nu

  • Structuur: depuis que + (onderwerp + werkwoord)
  • Betekenis: start in het verleden → situatie/actie loopt door tot het heden.
Correct Depuis que je suis diplômé, je travaille à Lyon.
Veelgemaakte fout 1 Depuis que deux ans, je travaille. → fout: depuis que heeft een zin nodig, geen duur.
Veelgemaakte fout 2 Depuis que je suis diplômé, j’étais très stressé. → vaak vreemd: na depuis que verwacht je iets dat nu nog geldt.

Zelfcheck: kun je er in het Nederlands “en dat is nu nog zo” achter zetten? Dan past depuis que.

Lorsque / au moment où: “toen/wanneer” bij een precies moment

  • Structuur: lorsque + zin of au moment où + zin
  • Gebruik: je plaatst één gebeurtenis op een duidelijk tijdstip.
Wanneer? Lorsque j’étais en licence, je révisais souvent.
Precies dat moment Au moment où j’ai passé l’examen, j’étais très stressé.

Praktisch verschil: lorsque is algemener (“toen”), au moment où zoomt in op dat ene moment.

Lors de: “tijdens” + zelfstandig naamwoord (geen werkwoord)

  • Structuur: lors de + nom (mon stage, la réunion, l’entretien…)
  • Gebruik: je bedoelt “tijdens …” als periode/gebeurtenis.
Correct Lors de mon stage, j’ai beaucoup appris.
Typische fout Lorsque mon stage, j’ai appris. → fout: lorsque vraagt een zin met werkwoord.

À ce moment-là: “op dat moment” (terugverwijzen in je verhaal)

  • Gebruik: je verwijst naar een moment dat net genoemd is.
  • Vaak met een nieuwe actie of reactie: “en toen…”

Voorbeeld: J’ai entendu mon nom et à ce moment-là, j’ai souri.

Snelle beslisboom (1 zin = 1 keuze)

  1. “... geleden” + duur?il y a
  2. “sinds (dat)” + het duurt nog?depuis que
  3. “toen/wanneer” + precies moment (met werkwoord)?lorsque / au moment où
  4. “tijdens” + zelfstandig naamwoord?lors de
  5. “op dat moment” (verwijzing terug)?à ce moment-là

Mini-check: zie je na de uitdrukking een duur (deux semaines) of een zin (je suis diplômé) of een naamwoord (mon stage)? Dat bepaalt je keuze.

  1. We gebruiken il y a om te praten over een moment dat in het verleden is afgelopen.
  2. We gebruiken depuis que voor een handeling die doorgaat tot in het heden.
  3. Lorsque of au moment où geven een precies moment aan.
Expression (Uitdrukking)Exemple (Voorbeeld)
Il y a (geleden)J’ai obtenu mon diplôme il y a deux ans. (Ik heb twee jaar geleden mijn diploma behaald.)
Depuis que (sinds)Depuis que je suis diplômé, je travaille. (Sinds ik ben afgestudeerd, werk ik.)
Lorsque (wanneer)Lorsque j’étais en master, je révisais. (Toen ik in de master zat, studeerde ik.)
Au moment où (op het moment dat)Au moment où j’ai passé l’examen. (Op het moment dat ik het examen deed.)
A ce moment-là (op dat moment)Et à ce moment-là, j’ai souri. (En op dat moment glimlachte ik.)
Lors de (tijdens)Lors de mon stage, j’ai appris. (Tijdens mijn stage heb ik veel geleerd.)

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. J’ai payé les frais de scolarité ________ deux semaines.

Ik heb ________ twee weken geleden het collegegeld betaald.)

2. ________ je suis diplômé, je travaille dans une université à Lyon.

________ ik afgestudeerd ben, werk ik aan een universiteit in Lyon.)

3. ________ j’étais en licence, je révisais souvent à la bibliothèque.

________ ik bachelorstudent was, studeerde ik vaak in de bibliotheek.)

4. ________ j’ai passé l’examen, j’étais très stressé.

________ ik het examen deed, was ik erg gestrest.)

Oefening 2: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste zin.

1.
Men gebruikt niet «depuis que + duur»; voor een afgesloten moment gebruikt men «il y a + duur».
«Depuis + duur» drukt een handeling uit die tot nu doorgaat, wat niet past bij «ik heb gehaald» (afgesloten handeling).
2.
«Lorsque» duidt een precies ogenblik aan; hier is «depuis que» nodig om een situatie uit te drukken die sinds het behalen van het diploma voortduurt.
«Il y a» wordt niet gebruikt vóór een bijzin; het vereist een duur («il y a deux ans») of een andere constructie.

Oefening 3: Herschrijf de zinnen

Instructie: Harmoniseer de twee zinnen tot één zin met de aangegeven tijdsaanduiding (bijv.: Ik ben verhuisd. Dat was twee maanden geleden. → Ik ben twee maanden geleden verhuisd).

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Hint Hint (Il y a) J’ai commencé ce travail. C’était il y a trois semaines.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    J’ai commencé ce travail il y a trois semaines.
    (Ik ben drie weken geleden aan dit werk begonnen.)
  2. Hint Hint (Depuis que) J’ai un nouveau collègue. Il travaille ici. Il a commencé en janvier.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    J’ai un nouveau collègue : il travaille ici depuis qu’il a commencé en janvier.
    (Ik heb een nieuwe collega: hij werkt hier sinds hij in januari begonnen is.)
  3. Hint Hint (Lorsque) Je fais du sport. J’étais étudiant. (imparfait)
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Lorsque j’étais étudiant, je faisais du sport.
    (Toen ik student was deed ik aan sport.)
  4. Hint Hint (Au moment où) Je suis arrivé à l’aéroport. Le train est parti.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Au moment où je suis arrivé à l’aéroport, le train est parti.
    (Op het moment dat ik op de luchthaven aankwam, vertrok de trein.)

Oefening 4: Grammatica in actie

Instructie: Vertel in tweetallen over je parcours en stel de ander twee vragen.

Vertaling tonen/verbergen
Situatie
Vous êtes à un entretien professionnel et devez parler de votre diplôme universitaire.
(U bent bij een sollicitatiegesprek en moet praten over uw universitaire diploma.)

Bespreek
  • Il y a combien d’années que vous avez obtenu votre diplôme et dans quelle formation ? (Hoe lang is het geleden dat u uw diploma hebt behaald en in welke studierichting?)
  • Depuis que vous êtes diplômé, quelles responsabilités nouvelles avez-vous eues au travail ?","Lorsque vous étiez étudiant, comment organisiez-vous vos révisions chaque semestre ?","Au moment où vous avez passé un examen important, que s’est-il passé et quel a été le résultat ? (Sinds u afgestudeerd bent, welke nieuwe verantwoordelijkheden heeft u op het werk gekregen?)

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • J’ai obtenu ma licence il y a trois ans. (Ik heb drie jaar geleden mijn bachelor behaald.)
  • Depuis que je suis diplômé, je fais un stage en entreprise. (Sinds ik afgestudeerd ben, loop ik stage bij een bedrijf.)
  • Lorsque j’étais en master, je révisais chaque soir avant les examens. (Toen ik in de master zat, studeerde ik elke avond voor de examens.)

Gebruik in gesprek
  • il y a (il y a)
  • depuis que (depuis que)
  • lorsque (lorsque)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Alessia Calcagni

Talen voor communicatie in internationale ondernemingen en organisaties

Università degli Studi di Modena e Reggio Emilia

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

dinsdag, 10/03/2026 20:32