Le passé composé se forme avec avoir/être + participe passé
(De passé composé wordt gevormd met
- Onderwerp + avoir + onregelmatig voltooid deelwoord.
- Onderwerp + être + voltooid deelwoord (accord), maar sommige voltooid deelwoorden zijn onregelmatig: vu, fait, dit.
| Infinitif (infinitief) | Participe passé (voltooid deelwoord) | Auxiliaire (hulpwerkwoord) | Exemple (voorbeeld) |
|---|---|---|---|
| Voir (zien) | Vu (gezien) | Avoir (hebben) | J’ai vu le film. (Ik heb de film gezien.) |
| Faire (doen / maken) | Fait (gedaan / gemaakt) | Avoir (hebben) | Ils ont fait leurs devoirs. (Zij hebben hun huiswerk gemaakt.) |
| Dire (zeggen) | Dit (gezegd) | Avoir (hebben) | Elle a dit la vérité. (Zij heeft de waarheid gezegd.) |
| Avoir (hebben) | Eu (gehad) | Avoir (hebben) | Nous avons eu une belle journée. (Wij hebben een fijne dag gehad.) |
| Être (zijn) | Été (geweest) | Être (zijn) | Il est été malade hier. (Hij is gisteren ziek geweest.) |
| Arriver (aankomen) | Arrivé (aangekomen) | Être (zijn) | Je suis arrivé en retard. (Ik ben te laat aangekomen.) |
| Partir (vertrekken) | Parti (vertrokken) | Être (zijn) | Nous sommes partis en vacances. (Wij zijn met vakantie vertrokken.) |
Oefening 1: Meerkeuze
Instructie: Kies het juiste antwoord
1. Hier soir, j’ai ___ le titre au journal télévisé.
Gisteravond heb ik ___ de kop op het televisiejournaal gezien.)2. Ils ont ___ un reportage sur la crise pour la radio locale.
Ze ___ een reportage over de crisis voor de lokale radio gemaakt.)3. Le flash info a ___ que la rumeur était fausse.
De nieuwsflits ___ dat het gerucht onjuist was.)4. Ce matin, nous avons ___ une réunion après les nouvelles.
Vanmorgen hebben we ___ een vergadering na het nieuws gehad.)Oefening 2: Meerkeuze
Instructie: Kies de correcte zin in passé composé met een onregelmatig voltooid deelwoord.
Oefening 3: Herschrijf de zinnen
Instructie: Herschrijf elke zin in de passé composé waarbij je het juiste hulpwerkwoord en het juiste voltooid deelwoord gebruikt (vu, fait, dit, eu, été).
-
Je vois le titre de l’article ce matin.⇒ _______________________________________________ ExampleJ’ai vu le titre de l’article ce matin.(Ik heb vanmorgen de titel van het artikel gezien.)
-
Nous faisons un reportage sur l’entreprise.⇒ _______________________________________________ ExampleNous avons fait un reportage sur l’entreprise.(Wij hebben een reportage over het bedrijf gemaakt.)
-
Elle dit la vérité pendant la réunion.⇒ _______________________________________________ ExampleElle a dit la vérité pendant la réunion.(Zij heeft tijdens de vergadering de waarheid gezegd.)
-
Vous avez une crise de stress au travail.⇒ _______________________________________________ ExampleVous avez eu une crise de stress au travail.(U heeft een stressaanval op het werk gehad.)
Oefening 4: Grammatica in actie
Instructie: Vertel in tweetallen wat je vandaag hebt gezien, gehoord en gedaan.
- Qu’as-tu vu au journal télévisé ou sur internet ce matin ? (Wat heb je vanmorgen op het televisienieuws of op internet gezien?)
- Quel titre t’a inquiété et pourquoi ? (crise, rumeur, flash info) ? Que t’a dit ton collègue à propos de ces informations ? (Welke kop maakte je bezorgd en waarom? (crisis, gerucht, nieuwsflits))
- J’ai vu un titre dans le journal télévisé. (Ik zag een kop op het televisienieuws.)
- J’ai lu un article sur internet. (Ik las een artikel op internet.)
- Il y a eu un flash info sur la crise. (Er was een nieuwsflits over de crisis.)
- J’ai vu… / Nous avons vu… (Ik heb gezien… / Wij hebben gezien…)
- Il/Elle a dit… / Ils ont dit… (Hij/Zij heeft gezegd… / Zij hebben gezegd…)
- J’ai fait… / Nous avons eu… (Ik heb gedaan… / Wij hebben gedaan…)