Bewegingen + voorzetsels: Aller à, venir de, partir à

Mouvements + prépositions: Aller à, venir de , partir à


Choisir le bon verbe et la préposition pour se déplacer: aller, venir, partir, arriver + à, en, chez, de.

(Het juiste werkwoord en voorzetsel kiezen om je te verplaatsen: aller, venir, partir, arriver + à, en, chez, de.)

Bestemming of vertrekpunt? Kies het juiste voorzetsel

Bij Franse verplaatsingswerkwoorden is de kernvraag altijd:

  • Waar ga je naartoe? → meestal à / soms chez
  • Waar kom je vandaan?de
Vraag Voorzetsel Voorbeeld
Naartoe (bestemming) à / chez Je vais à l’agence. / Je vais chez le médecin.
Vandaan (herkomst) de Je viens de l’agence.

Snelle beslisboom per werkwoord (wat past erna?)

Leer dit als vaste “koppels” (werkwoord + voorzetsel):

  • aller + à / chez (ik ga naar…)
  • venir + de (ik kom van…)
  • partir + de (ik vertrek van…)
  • arriver + à (ik kom aan in/bij…)
  • revenir + à (ik kom terug naar…)
  • retourner + à (ik ga terug naar…)
  • rentrer + à / chez (ik ga naar binnen/ik ga terug naar huis…)

Wanneer gebruik je “à” en wanneer “chez”?

  • à + plaats/gebouw/locatie: à l’agence, à l’hôtel, à la gare
  • chez + persoon of “iemand als professional” (dokter, kapper, klant):
    • Je vais chez le médecin.
    • Je vais chez le client. (bij de klant)
    • Je rentre chez moi. (naar huis)

Typische fout (NL-invloed): “bij de …” is niet altijd chez in het Frans.

  • Je vais chez l’agence.Je vais à l’agence.

“à l’agence” en niet “en l’agence”

Voor een concrete plek zoals l’agence gebruik je normaal à (bestemming/plaats).

  • Je suis à l’agence. (ik ben bij/in het agentschap)
  • J’arrive à l’agence. (ik kom aan bij het agentschap)
  • Je suis en l’agence.
  • J’arrive en l’agence.

Mini-betekenissen: subtiele verschillen die vaak verwarren

Werkwoord Waar ligt de focus? Voorbeeld
partir de het moment van vertrek Nous partons de l’agence à 9 h.
venir de herkomst (je bent al onderweg geweest) Elle vient de l’agence.
arriver à aankomst op de bestemming Nous arrivons à l’agence avant 18 h.
revenir à terugkomen (je was er eerder al) Je reviens à l’agence.
retourner à teruggaan (actie/plan) Il retourne à l’agence.

Zelfcheck (30 seconden): klopt mijn zin?

  1. Beweging? Ja → neem een verplaatsingswerkwoord (aller/venir/partir/arriver…)
  2. Richting?
    • naar een plek → à
    • naar een persoon/professional → chez
    • van een plek/persoon → de
  3. Snelle controle op veelgemaakte fouten:
    • Met aller zeg je niet de voor de bestemming: je vais de…
    • Met venir is het bijna altijd de (herkomst): je viens à… (tenzij je echt “komen naar” bedoelt, wat hier niet de focus is)
    • Bij l’agence gebruik je à, niet en.

Wat moet je nu vooral onthouden?

  • à/chez = bestemming, de = vertrekpunt.
  • Leer de combinaties als vaste blokken: aller à, venir de, partir de, arriver à.
  • chez gebruik je vooral voor mensen/professionals: chez le médecin, chez le client, chez moi.
Verbe (Werkwoord)Structure (Structuur)Exemple (Voorbeeld)
Aller (Gaan)Aller + à / chez (Gaan + naar / bij)Je vais à l'agence. (Ik ga naar het verhuurkantoor.)
Venir (Komen)Venir + de (Komen + van/uit)Elle vient de l'agence. (Zij komt van het verhuurkantoor.)
Partir (Vertrekken)Partir + de (Vertrekken + van/uit)Le conducteur part de l'agence. (De bestuurder vertrekt van het verhuurkantoor.)
Arriver (Aankomen)Arriver + à (Aankomen + in/te)Nous arrivons à l'agence. (Wij komen aan bij het verhuurkantoor.)
Revenir (Terugkomen)Revenir + à (Terugkomen + naar)Je reviens à l'agence. (Ik kom terug naar het verhuurkantoor.)
Retourner (Teruggaan)Retourner + à (Teruggaan + naar)Il retourne à l'agence. (Hij gaat terug naar het verhuurkantoor.)
Rentrer (Terug naar huis gaan)Rentrer + chez / à (Terug naar huis gaan + bij / naar)Nous rentrons chez l'agence. (Wij gaan terug naar het verhuurkantoor.)

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

1. Je ____ pour récupérer la voiture de location.

Ik ____ om de huurauto op te halen.

2. Je ____ : j'ai déjà payé la caution.

Ik ____ : ik heb de borg al betaald.

3. Nous ____ à 9 h, car le conducteur a son permis de conduire.

Wij ____ om 9 uur, want de bestuurder heeft zijn rijbewijs.

4. Nous ____ avant 18 h pour rendre le scooter.

Wij ____ vóór 18 uur om de scooter terug te brengen.

Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zin met het juiste werkwoord van verplaatsing en de juiste voorzetsel (aller/venir/partir/arriver/revenir/retourner/rentrer + à/de/chez) om dezelfde bedoeling te behouden. Voorbeeld: Je suis à l’agence. → Je vais à l’agence.

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Hint Hint (aller) Je suis au bureau maintenant.
    ⇒ ____________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Je vais au bureau maintenant.
    (Ik ga nu naar kantoor.)
  2. Je suis à la gare, je viens du bureau.
    ⇒ ____________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Je viens du bureau, je suis à la gare.
    (Ik kom van kantoor, ik ben op het station.)
  3. Hint Hint (aller) Je suis chez le médecin et je ne travaille pas cet après-midi.
    ⇒ ____________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Je vais chez le médecin cet après-midi, je ne travaille pas.
    (Ik ga vanmiddag naar de dokter, ik werk niet.)
  4. Hint Hint (partir) Je quitte l’agence à 18 h.
    ⇒ ____________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Je pars de l’agence à 18 h.
    (Ik vertrek om 18 uur van het kantoor.)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Alessia Calcagni

Talen voor communicatie in internationale ondernemingen en organisaties

Università degli Studi di Modena e Reggio Emilia

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

zaterdag, 02/05/2026 09:33