De betrekkelijke voornaamwoorden: qui, que, où, dont

Les pronoms relatifs : qui, que, où, dont


Les pronoms relatifs qui, que, où, et dont relient des propositions subordonnées à des noms.

(De betrekkelijke voornaamwoorden qui, que, en dont verbinden bijzinnen met zelfstandige naamwoorden.)

Wanneer gebruik je een betrekkelijk voornaamwoord?

Met een pronom relatif (qui, que, où, dont) plak je twee zinnen aan elkaar.

  • Hoofdzinsdeel (waar je over spreekt) + bijzin (extra info)
  • Je vermijdt herhaling: Le guide… Le guide… wordt één zin.
Je wil zeggen… Je kiest… Snel in het Nederlands
onderwerp (doet de actie) qui die/dat (als onderwerp)
lijdend voorwerp (krijgt de actie) que die/dat (als object)
plaats of moment waar / wanneer
iets na de dont waarvan / over wie / waar… van

Stap 1: Kies tussen qui en que (de ‘actie-test’)

Vraag in de bijzin: wie/wat doet de actie?

  • qui = het woord ervoor is onderwerp in de bijzin.
  • que = het woord ervoor is lijdend voorwerp in de bijzin.
Voorbeeld Waarom?
Le guide qui travaille au zoo est drôle. Qui vervangt le guide en is onderwerp van travaille.
Le guide que nous avons vu hier est drôle. Wij (nous) zien iemand: le guide is het object → que.
L’éléphant qui mange est majestueux. De olifant doet de actie mange → onderwerp.
Le zoo que nous avons visité est très grand. Wij bezoeken het zoo: le zoo krijgt de actie → object.

Zelfcheck: Staat er na het betrekkelijk voornaamwoord meteen een werkwoord? Dan is het vaak qui (want onderwerp + werkwoord).

Vergelijk: qui travaille vs que nous avons visité (eerst een onderwerp nous).

Let op: que kan akkoord ‘triggeren’ (A2, maar super nuttig)

Als que het lijdend voorwerp is vóór avoir, kan het voltooid deelwoord akkoord krijgen.

  • Les animaux que j’ai vus… (vus = meervoud)
  • La photo que j’ai prise… (prise = vrouwelijk)

Met qui gebeurt dit meestal niet op dezelfde manier, omdat qui vaak onderwerp is.

Stap 2: Gebruik voor plaats en tijd

  • = endroit (plek) of moment (tijdstip)
  • Typische woorden: le jour, le moment, l’année, l’endroit, la ville, le café
Correct Niet doen
Le jour nous sommes allés au zoo était ensoleillé. Le jour que nous sommes allés…
L’aquarium nous avons vu les poissons est magnifique. L’aquarium que nous avons vu les poissons…

Zelfcheck: Kun je in het Nederlands “waar” of “wanneer” zeggen? Dan is het bijna altijd .

Stap 3: Gebruik dont als er de in de basiszin zit

dont vervangt iets dat normaal met de komt.

  • parler de (praten over)
  • avoir besoin de (nodig hebben)
  • se souvenir de (zich herinneren)
  • être fier/contente de (trots zijn op)
2 zinnen 1 zin met dont
Je t’ai parlé de ce projet. Le projet dont je t’ai parlé est important.
J’ai besoin de ce document. Le document dont j’ai besoin est sur mon bureau.

Zelfcheck: Zie/hoor je in je ‘basiszin’ een de (de + naamwoord, de + persoon)? Dan is de kans groot dat je dont nodig hebt.

Mini-stappenplan (snel kiezen zonder te twijfelen)

  1. Plaats of tijd?
  2. Anders: staat er in de bijzin een werkwoord met de? → dont
  3. Anders: wie doet de actie in de bijzin? → qui
  4. Zo niet: wie/wat krijgt de actie? → que

Veelgemaakte fouten (en hoe je ze voorkomt)

  • gebruik je niet als object.

    Le film où j’ai vu hierLe film que j’ai vu hier.

  • que gebruik je niet voor een plek of moment.

    Le restaurant que nous mangeons souvent → Le restaurant nous mangeons souvent.

  • dont alleen als je een de-relatie hebt.

    La personne dont je vois tous les jours → La personne que je vois tous les jours.

Wat moet je nu kunnen?

  • Snel beslissen: qui (onderwerp) vs que (lijdend voorwerp)
  • gebruiken voor plek en moment
  • dont gebruiken als je “de + …” zou zeggen
  • Extra aandacht: bij que + avoir soms akkoord van het voltooid deelwoord
  1. Qui vervangt een persoon of een ding dat de actie doet.
  2. Que vervangt een persoon of een ding dat de actie ondergaat.
  3. Où vervangt een plaats of een moment.
Pronom relatif (Betrekkelijk voornaamwoord)Exemple (Voorbeeld)
Que (objet) (Que (voorwerp))Le zoo que nous avons visité est très grand. (De dierentuin die we hebben bezocht is heel groot.)
Que (personne) (Que (persoon))Le guide que nous avons vu hier est drôle. (De gids die we gisteren hebben gezien is grappig.)
Qui (objet)L'éléphant qui mange dans le parc est majestueux. (De olifant die in het park eet, is majestueus.)
Qui (personne) (Qui (persoon))Les enfants qui courent dans le parc sont contents. (De kinderen die in het park rennen zijn blij.)
Où (moment)Le jour nous sommes allés au zoo était ensoleillé. (De dag waarop we naar de dierentuin zijn gegaan was zonnig.)
Où (endroit)L'aquarium nous avons vu les poissons est magnifique. (Het aquarium waar we de vissen hebben gezien is prachtig.)
DontLa girafe dont je parle a un long cou. (De giraffe waarover ik praat heeft een lange nek.)

Uitzonderingen!

  1. Dont vervangt iets dat na “de” komt (je t’ai parlé de ce livre wordt Le livre dont je t’ai parlé)

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. C'est l'aquarium ___ nous avons visité après le zoo.

Het is het aquarium ___ we na de dierentuin hebben bezocht.

2. Le guide ___ travaille au zoo explique bien les animaux.

De gids ___ in de dierentuin werkt, legt de dieren goed uit.

3. Le jour ___ nous sommes allés au zoo, il a fait très beau.

De dag ___ we naar de dierentuin gingen, was het heel mooi weer.

4. Voilà la girafe ___ je t'ai parlé hier soir.

Daar is de giraffe ___ ik je gisteravond over heb verteld.

Oefening 2: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste zin.

1.
"Die" kan hier geen plaatselijk bijwoord vervangen; het past niet in deze context.
"Dat" vervangt een lijdend voorwerp, niet een plaats; je hebt "waar" nodig voor een locatie.
2.
Hier is "die" als onderwerp/foutief gebruikt; voor een relative zin met COD moet "die"/"dat" naar het juiste antecedent verwijzen (in dit geval "die").
De overeenkomst van het voltooid deelwoord is onjuist: na "die" hoeft het voltooid deelwoord in het Nederlands niet te veranderen, maar in het Frans zou het 'vus' moeten zijn.

Oefening 3: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf elke paar zinnen tot één enkele zin met het juiste betrekkelijk voornaamwoord: qui, que, où of dont.

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. J’ai un collègue. Je vois ce collègue tous les jours au bureau.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    J’ai un collègue que je vois tous les jours au bureau.
    (J'ai un collègue que je vois tous les dagen op kantoor.)
  2. Nous cherchons un restaurant. Ce restaurant est près de la gare.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Nous cherchons un restaurant qui est près de la gare.
    (Nous cherchons un restaurant qui est près de la gare.)
  3. C’est un projet. Mon chef parle de ce projet en réunion.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    C’est un projet dont mon chef parle en réunion.
    (C'est un projet dont mon chef parle en réunion.)
  4. Je te montre le café. Nous travaillons souvent dans ce café.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Je te montre le café où nous travaillons souvent.
    (Je te montre le café où nous travaillons vaak.)

Oefening 4: Grammatica in actie

Instructie: Bespreek in groep om het programma, de dieren en het budget te kiezen.

Vertaling tonen/verbergen
Situatie
Vous organisez une sortie familiale au zoo ce week-end.
(Je organiseert dit weekend een gezinsuitstap naar de dierentuin.)

Bespreek
  • Quel espace du zoo visitons-nous en premier et pourquoi ? (Welk deel van de dierentuin bezoeken we als eerste en waarom?)
  • Quels animaux voulons-nous voir qui intéressent surtout les enfants ? Expliquez votre choix. (Welke dieren willen we zien die vooral de kinderen aanspreken? Leg je keuze uit.)

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • L'aquarium où l'on voit les poissons est près de la vallée. (Het aquarium waar je de vissen ziet, ligt dicht bij de vallei.)
  • La girafe dont je parle est dans la savane. (De giraffe waar ik het over heb, staat in de savanne.)
  • Le lion que nous voulons voir est sauvage et dans une grande cage. (De leeuw die we willen zien is wild en staat in een groot verblijf.)

Gebruik in gesprek
  • qui / que (qui / que)
  • (où)
  • dont (dont)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Alessia Calcagni

Talen voor communicatie in internationale ondernemingen en organisaties

Università degli Studi di Modena e Reggio Emilia

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

dinsdag, 17/03/2026 22:35