A2.11: Hulpdiensten

Services d'urgence

Leer in deze les essentiële Franse uitdrukkingen voor noodgevallen, zoals 'appeler les pompiers' (de brandweer bellen), 'demander une ambulance' (een ambulance vragen) en 'appeler la police' (de politie bellen). Begrijp belangrijke woorden als 'incendie' (brand), 'accident' (ongeval) en 'vol' (diefstal) voor directe hulpvragen.

Woordenschat (13)

 Les urgences: de eerste hulp (French)

Les urgences

Show

De eerste hulp Show

 Le commissariat: het politiebureau (French)

Le commissariat

Show

Het politiebureau Show

 La croix rouge: het rode kruis (French)

La croix rouge

Show

Het rode kruis Show

 Les pompiers: de brandweer (French)

Les pompiers

Show

De brandweer Show

 Le samu: de ambulancedienst (French)

Le samu

Show

De ambulancedienst Show

 Une alerte: Een waarschuwing (French)

Une alerte

Show

Een waarschuwing Show

 Une ambulance: Een ambulance (French)

Une ambulance

Show

Een ambulance Show

 La gendarmerie: de marechaussee (French)

La gendarmerie

Show

De marechaussee Show

 Un incendie: Een brand (French)

Un incendie

Show

Een brand Show

 Les gestes de premier secours: Eerste hulp handelingen (French)

Les gestes de premier secours

Show

Eerste hulp handelingen Show

 La rapidité: De snelheid (French)

La rapidité

Show

De snelheid Show

 Une agression : Een geweldsdaad (French)

Une agression

Show

Een geweldsdaad Show

 Aider (helpen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Aider

Show

Helpen Show

Oefeningen

Deze oefeningen kunnen tijdens conversatielessen samen gedaan worden of als huiswerk.

Oefening 1: Gesprekskaarten

Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 2: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. La Croix-Rouge _______ pour aider les personnes en détresse.

(Het Rode Kruis _______ om mensen in nood te helpen.)

2. Le SAMU _______ rapidement lors de l'urgence.

(De MUG _______ snel ter plaatse gekomen tijdens de noodsituatie.)

3. Malheureusement, un pompier _______ en sauvant les victimes de l'incendie.

(Helaas _______ een brandweerman gestorven tijdens het redden van de slachtoffers van de brand.)

4. Le commissariat _______ les témoins à déclarer l'agression.

(Het politiebureau _______ de getuigen geholpen de aanval te verklaren.)

Oefening 3: Een noodgeval thuis

Instructie:

Hier soir, nous (Appeler - Passé composé) appelé le 18 car un incendie (Naître - Passé composé) né dans la cuisine. Ma femme (Aider - Passé composé) aidé notre fils à sortir rapidement. Moi, j' (Contacter - Passé composé) contacté le commissariat pour signaler une agression dans le quartier. Plus tard, la victime (Mourir - Passé composé) morte avant l'arrivée des pompiers. Heureusement, le samu (Arriver - Passé composé) arrivé très vite et a donné les premiers secours. Nous (Apprendre - Passé composé) appris que la rapidité des secours est essentielle pour sauver des vies.


Gisteravond hebben we gebeld (Bellen - Verleden tijd) naar 18 omdat er is ontstaan (Ontstaan - Verleden tijd) een brand in de keuken. Mijn vrouw heeft geholpen (Helpen - Verleden tijd) onze zoon snel naar buiten te krijgen. Ik heb contact opgenomen (Contact opnemen - Verleden tijd) met het politiebureau om een aanval in de buurt te melden. Later is het slachtoffer overleden (Overlijden - Verleden tijd) voordat de brandweer arriveerde. Gelukkig is de ambulance snel gekomen (Aankomen - Verleden tijd) en heeft eerste hulp gegeven. We hebben geleerd (Leren - Verleden tijd) dat de snelheid van de hulp essentieel is om levens te redden.

Werkwoordschema's

Appeler - Bellen

Passé composé

  • j'ai appelé
  • tu as appelé
  • il/elle/on a appelé
  • nous avons appelé
  • vous avez appelé
  • ils/elles ont appelé

Naître - Ontstaan

Passé composé

  • je suis né(e)
  • tu es né(e)
  • il/elle/on est né(e)
  • nous sommes né(e)s
  • vous êtes né(e)(s)
  • ils/elles sont né(e)s

Aider - Helpen

Passé composé

  • j'ai aidé
  • tu as aidé
  • il/elle/on a aidé
  • nous avons aidé
  • vous avez aidé
  • ils/elles ont aidé

Contacter - Contact opnemen

Passé composé

  • j'ai contacté
  • tu as contacté
  • il/elle/on a contacté
  • nous avons contacté
  • vous avez contacté
  • ils/elles ont contacté

Mourir - Overlijden

Passé composé

  • je suis mort(e)
  • tu es mort(e)
  • il/elle/on est mort(e)
  • nous sommes mort(e)s
  • vous êtes mort(e)(s)
  • ils/elles sont mort(e)s

Arriver - Aankomen

Passé composé

  • je suis arrivé(e)
  • tu es arrivé(e)
  • il/elle/on est arrivé(e)
  • nous sommes arrivé(e)s
  • vous êtes arrivé(e)(s)
  • ils/elles sont arrivé(e)s

Apprendre - Leren

Passé composé

  • j'ai appris
  • tu as appris
  • il/elle/on a appris
  • nous avons appris
  • vous avez appris
  • ils/elles ont appris

Grammatica

We geven toe dat het niet het meest opwindende is, maar het is absoluut essentieel (en we beloven dat het zich zal terugbetalen)!

Werkwoordsvervoegingstabellen voor deze les

Naître geboren worden

Passé composé

Frans Nederlands
(je/j') suis né/née ik ben geboren
(tu) es né/née jij bent geboren
(il/elle/on) est né/née hij/zij/men is geboren
(nous) sommes nés/nées wij zijn geboren
(vous) êtes né/née/nés/nées u bent geboren
(ils/elles) sont nés/nées zij zijn geboren

Oefeningen en voorbeeldzinnen

Mourir sterven

Passé composé

Frans Nederlands
(je/j') suis mort/morte ik ben gestorven
(tu) es mort/morte jij bent gestorven
(il/elle/on) est mort/morte hij/zij/men is gestorven
(nous) sommes morts/mortes wij zijn gestorven
(vous) êtes mort/morte/morts/mortes u bent gestorven
(ils/elles) sont morts/mortes zij zijn gestorven

Oefeningen en voorbeeldzinnen

Zie je geen vooruitgang als je alleen studeert? Bestudeer dit materiaal met een gecertificeerde docent!

Wil je vandaag Frans oefenen? Dat is mogelijk! Neem vandaag nog contact op met een van onze docenten.

Schrijf je nu in!

Nooddiensten - Lesoverzicht

In deze les leer je hoe je in het Frans effectief kunt communiceren met verschillende noodhulpdiensten zoals de brandweer, ambulance en politie. Het niveau van de les is A2, waardoor de inhoud geschikt is voor studenten die basiskennis hebben van het Frans en deze in praktische noodsituaties willen toepassen.

Wat leer je in deze les?

  • Telefoneren bij noodgevallen: Je oefent het voeren van telefoongesprekken om een brand te melden, een ambulance te vragen na een ongeval en een diefstal bij de politie aan te geven.
  • Belangrijke woordenschat: Je leert specifieke woorden en zinnen die veel voorkomen bij noodsituaties, zoals incendie (brand), ambulance, pompiers (brandweer), blessé (gewond), en vol (diefstal).
  • Werkwoordvervoegingen in passé composé: De les bevat oefeningen gericht op het correct vervoegen van belangrijke werkwoorden in de verleden tijd zoals appeler, intervenir, mourir en aider, die vaak gebruikt worden in noodsituaties.
  • Praktijkgerichte dialogen: Er zijn verschillende voorbeelddialogen die je voorbereiden op het maken van echte telefoontjes in noodsituaties met duidelijke instructies en voorbeeldzinnen.
  • Kort verhaal voor begrip: Een samenvatting van een noodsituatie thuis helpt je de woordenschat en grammatica in context te plaatsen, met werkwoordsvervoegingen uitgelicht in passé composé.

Belangrijke woordenschat en uitdrukkingen

Hier zijn een paar nuttige voorbeelden die je in dit thema veel tegenkomt:

  • Appeler les pompiers – de brandweer bellen
  • Signaler un incendie – een brand melden
  • Demander une ambulance – een ambulance vragen
  • Un accident de voiture – een auto-ongeluk
  • La police – de politie
  • Un vol / un cambriolage – een diefstal/inbraak

Verschillen tussen Nederlands en Frans bij noodgevallen

In het Nederlands gebruiken we vaak vaste uitdrukkingen zoals "112 bellen" voor noodnummers, terwijl in Frankrijk ook specifieke nummers zoals "18" voor brandweer en "15" voor ambulance gebruikelijk zijn. Let op de formele manier van aanspreken in Franse telefoongesprekken: men gebruikt vaak Bonjour gevolgd door duidelijk en rustig informatie over de situatie.

Daarnaast zijn de vervoegingen van werkwoorden in de passé composé in het Frans belangrijk om acties uit het verleden te beschrijven, iets wat in het Nederlands vaak met de voltooid tegenwoordige tijd (hebben/zijn + voltooid deelwoord) gebeurt. Bijvoorbeeld:

  • J'ai appelé = Ik heb gebeld
  • Il est arrivé = Hij is aangekomen

Door deze overeenkomsten en verschillen te kennen, kun je efficiënter communiceren in noodsituaties en begrijpen hoe je correct informatie geeft of vraagt.

Deze lessen zouden niet mogelijk zijn zonder onze geweldige partners🙏