1. Woordenschat (17)

La présentation

La présentation Show

De presentatie Show

Le collègue

Le collègue Show

De collega Show

La discussion

La discussion Show

De discussie Show

La décision

La décision Show

De beslissing Show

L'engagement

L'engagement Show

De betrokkenheid Show

Le rendez-vous

Le rendez-vous Show

De afspraak Show

La salle de réunion

La salle de réunion Show

De vergaderzaal Show

Le vidéoprojecteur

Le vidéoprojecteur Show

De beamer Show

La prise de parole

La prise de parole Show

Het woord nemen Show

La prise de décisions

La prise de décisions Show

Het beslissen Show

La productivité

La productivité Show

De productiviteit Show

Structurer

Structurer Show

Structureren Show

Discuter

Discuter Show

Bespreken Show

Avoir une réunion

Avoir une réunion Show

Een vergadering hebben Show

Parler avec des clients

Parler avec des clients Show

Met klanten praten Show

Vrai

Vrai Show

Waar Show

Faux

Faux Show

Onwaar Show

2. Grammatica

Belangrijk werkwoord

Structurer (structureren)

3. Oefeningen

Oefening 1: Correspondentie schrijven

Instructie: Schrijf een antwoord op het volgende bericht dat passend is voor de situatie

E-mail: Je ontvangt een e-mail van je collega Camille op kantoor over een vergadering met een belangrijke klant; antwoord om te zeggen of je het eens bent met haar organisatie en stel een kleine wijziging voor.


Bonjour,

Demain matin, nous avons une réunion avec le client Martin à 10h, dans la salle de réunion B.

Je propose l’ordre du jour suivant :

  • 10h00–10h15 : petite présentation de notre équipe
  • 10h15–10h30 : discussion sur le nouveau contrat
  • 10h30–10h45 : prise de décisions et prochains engagements

Est-ce que tu es d’accord avec ce plan ? Veux-tu parler avec le client pour la partie contrat ?

Merci,
Camille


Bonjour,

Demain matin, nous avons une réunion avec le client Martin à 10h, dans la salle de réunion B.

Je propose l'ordre du jour suivant :

  • 10h00–10h15 : petite présentation de notre équipe
  • 10h15–10h30 : discussion sur le nouveau contrat
  • 10h30–10h45 : prise de décisions et prochains engagements

Est-ce que tu es d'accord avec ce plan ? Veux-tu parler avec le client pour la partie contrat ?

Merci,
Camille


Begrijp de tekst:

  1. Quel est l’objectif principal de la réunion avec le client Martin ?

    (Wat is het belangrijkste doel van de vergadering met klant Martin?)

  2. Qu’est-ce que Camille demande exactement à la fin de son email ?

    (Wat vraagt Camille precies aan het einde van haar e-mail?)

Nuttige zinnen:

  1. Je suis d’accord avec…

    (Ik ben het ermee eens...)

  2. Je ne suis pas tout à fait d’accord, je propose…

    (Ik ben het niet helemaal eens, ik stel voor...)

  3. Pour la réunion, je peux…

    (Voor de vergadering kan ik...)

Bonjour Camille,

Merci pour ton message. Je suis d’accord avec le plan de la réunion, c’est clair et bien structuré. Je peux parler avec le client pour la partie contrat, cela me va bien.

Je propose juste de terminer à 11h, pour avoir un peu plus de temps pour les décisions.

Bonne journée,
Alex

Bonjour Camille,

Merci pour ton message. Je suis d'accord avec le plan de la réunion, c'est clair et bien structuré. Je peux parler avec le client pour la partie contrat, dat is goed voor mij.

Ik stel alleen voor om af te sluiten om 11u, zodat we iets meer tijd hebben voor de beslissingen.

Bonne journée,
Alex

Oefening 2: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Demain, je ___ la réunion pour que tout le monde puisse prendre la parole.

(Morgen zal ik ___ de vergadering zodat iedereen aan het woord kan komen.)

2. Pour le prochain rendez-vous avec les clients, nous ___ mieux la présentation.

(Voor de volgende afspraak met de klanten zullen we ___ de presentatie beter.)

3. Mes collègues ___ leurs arguments pour la prise de décisions en fin de réunion.

(Mijn collega’s ___ hun argumenten voor de besluitvorming aan het einde van de vergadering.)

4. Si tout le monde est d’accord, vous ___ le débat et je noterai les décisions.

(Als iedereen het ermee eens is, zullen jullie ___ het debat en zal ik de beslissingen noteren.)

Oefening 3: Gesprekskaarten

Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 4: Reageer op de situatie

Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.

1. 1. Vous êtes au bureau. Vous voulez organiser **une réunion** demain matin avec votre équipe pour parler d’un nouveau projet. Demandez à un collègue s’il est disponible et proposez une heure. (Utilisez : **la réunion**, demain matin, être disponible)

(1. U bent op kantoor. U wilt **een vergadering** organiseren morgenochtend met uw team om over een nieuw project te praten. Vraag een collega of hij/zij beschikbaar is en stel een tijd voor. (Gebruik: **de vergadering**, morgenochtend, beschikbaar zijn))

Pour la réunion,  

(Voor de vergadering ...)

Voorbeeld:

Pour la réunion, je propose demain matin à 9 heures. Vous êtes disponible à ce moment ?

(Voor de vergadering stel ik morgenochtend om 9 uur voor. Bent u dan beschikbaar?)

2. 2. Pendant **une présentation** avec le vidéoprojecteur, votre collègue parle très vite. Vous voulez poser une question et demander de répéter une information importante. (Utilisez : **la présentation**, une question, répéter)

(2. Tijdens **een presentatie** met de beamer spreekt uw collega erg snel. U wilt een vraag stellen en vragen of een belangrijke informatie herhaald kan worden. (Gebruik: **de presentatie**, een vraag, herhalen))

Pendant la présentation,  

(Tijdens de presentatie ...)

Voorbeeld:

Pendant la présentation, j’ai une question, s’il te plaît. Tu peux répéter le dernier point de la présentation ?

(Tijdens de presentatie heb ik een vraag. Kunt u het laatste punt van de presentatie herhalen, alstublieft?)

3. 3. Vous êtes en **rendez-vous** avec un client dans une salle de réunion. Il propose une solution, mais vous n’êtes pas d’accord. Dites que vous comprenez, mais que vous préférez une autre solution. (Utilisez : **le rendez-vous**, être d’accord, une autre solution)

(3. U bent in **een afspraak** met een klant in een vergaderruimte. Hij stelt een oplossing voor, maar u bent het er niet mee eens. Zeg dat u het begrijpt, maar dat u een andere oplossing verkiest. (Gebruik: **de afspraak**, het eens zijn, een andere oplossing))

Pour ce rendez-vous,  

(Voor deze afspraak ...)

Voorbeeld:

Pour ce rendez-vous, je comprends votre idée, mais je ne suis pas d’accord. Je préfère une autre solution plus simple pour nous.

(Voor deze afspraak begrijp ik uw idee, maar ik ben het er niet mee eens. Ik verkies een andere, eenvoudigere oplossing voor ons.)

4. 4. À la fin d’une petite **discussion** avec vos collègues, il faut prendre **une décision** pour améliorer la productivité de l’équipe. Dites votre opinion et montrez que vous êtes d’accord avec la proposition d’un collègue. (Utilisez : **la discussion**, la décision, être d’accord)

(4. Aan het einde van een korte **discussie** met uw collega’s moet er **een beslissing** worden genomen om de productiviteit van het team te verbeteren. Geef uw mening en geef aan dat u het eens bent met het voorstel van een collega. (Gebruik: **de discussie**, de beslissing, het eens zijn))

Après la discussion,  

(Na de discussie ...)

Voorbeeld:

Après la discussion, je suis d’accord avec cette décision. Je pense que cette organisation va améliorer la productivité de l’équipe.

(Na de discussie ben ik het eens met deze beslissing. Ik denk dat deze organisatie de productiviteit van het team zal verbeteren.)

Oefening 5: Schrijfopdracht

Instructie: Schrijf 5 of 6 zinnen waarin je beschrijft hoe vergaderingen bij jou op het werk of tijdens je studie verlopen en hoe je aangeeft dat je het eens of oneens bent.

Nuttige uitdrukkingen:

À mon travail, les réunions sont… / Je suis d’accord quand… / Je ne suis pas d’accord parce que… / À la fin de la réunion, nous…

Exercice 6: Gespreksoefening

Instruction:

  1. Regardez l'image et imaginez que vous êtes en réunion. Utilisez les phrases pour exprimer votre accord ou désaccord avec l'intervenant. (Bekijk de afbeelding en stel je voor dat je in een vergadering zit. Gebruik de zinnen om instemming of tegenwerping met de spreker uit te drukken.)

Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten

Voorbeeldzinnen:

Je suis d'accord avec votre point de vue concernant le budget.

Ik ben het met je punt over het budget eens.

Je ne suis pas d'accord ; je pense que nous devrions allouer plus de ressources au marketing.

Ik ben het er niet mee eens; ik denk dat we meer middelen aan marketing moeten toewijzen.

Peux-tu expliquer cette idée à nouveau ? Je ne comprends pas tout à fait.

Kun je die gedachte nog eens uitleggen? Ik begrijp het niet helemaal.

Je pense que nous devrions programmer une autre réunion pour en discuter.

Ik denk dat we een nieuwe vergadering moeten plannen om dit te bespreken.

Cela semble être une bonne proposition ; avançons avec.

Dat klinkt als een goed voorstel; laten we ermee doorgaan.

Je n'en suis pas sûr, mais je comprends d'où tu viens.

Ik weet het niet zeker, maar ik begrijp wel waar je vandaan komt.

Je ne pense pas que cette approche fonctionnera, car elle n'est pas réaliste.

Ik denk niet dat die aanpak zal werken, omdat het niet realistisch is.

Pourriez-vous préciser votre position sur ce point ? Je ne suis pas sûr de comprendre.

Kunt u uw standpunt over dat punt verduidelijken? Ik volg het niet helemaal.

...