Bezittelijke voornaamwoorden (le mien, le tien, le sien, le nôtre, le vôtre, le leur)

Les pronoms possessifs (le mien, le tien, le sien, le nôtre, le vôtre, le leur)


Les pronoms possessifs indiquent à qui appartient un objet.

(Bezittelijke voornaamwoorden geven aan van wie een voorwerp is.)

Wanneer gebruik je een bezittelijk voornaamwoord?

Je gebruikt een pronom possessif als je een volledig naamwoordgroepje wil vervangen:

  • mon/ma/mes + nomle mien / la mienne / les miens / les miennes
  • In het Nederlands: mijn gel douchede mijne

Belangrijk: in het Frans kies je de vorm niet op basis van de eigenaar, maar op basis van het woord dat je vervangt (genre + aantal).

Stap-voor-stap: zo kies je de juiste vorm

  1. Stap 1 – Zoek het zelfstandige naamwoord dat je vervangt.

    mon gel douche, ma brosse, leurs clés

  2. Stap 2 – Bepaal genre en aantal van dat woord (m/v + enkelvoud/meervoud).

    • gel douche = mannelijk enkelvoud
    • brosse = vrouwelijk enkelvoud
    • clés = meervoud
  3. Stap 3 – Kies de eigenaar (je/tu/il/nous/vous/ils).

    Dan pas kies je: le mien, la tienne, le leur, …

De valkuil: het gaat om het object, niet om de persoon

  • son savon (savon = m) → le sien

  • sa brosse (brosse = v) → la sienne

Dus: le sien / la sienne kan zowel “van hem” als “van haar” betekenen. Het hangt af van de context.

Snelle referentie (singulier): le/la + vorm

Eigenaar Masculin (le ...) Féminin (la ...)
Je le mien la mienne
Tu le tien la tienne
Il / Elle le sien la sienne
Nous le nôtre la nôtre
Vous le vôtre la vôtre
Ils / Elles le leur la leur

Spelling om op te letten: nôtre en vôtre hebben een ^ (accent circonflexe).

Waar staat het in de zin? (meestal na het werkwoord)

  • Je prends le mien. (Ik neem de mijne.)

  • Vous préférez ce gel douche ou le vôtre ?

  • C’est la sienne, pas la mienne. (Dat is de hare, niet de mijne.)

Mini-check: klopt jouw keuze?

  • 1) Heb ik het juiste woord vervangen?

    Vervang je gel douche (m)? Dan moet het le ... zijn.

  • 2) Past het genre en aantal?

    ma brosse → le mienma brosse → la mienne

  • 3) Heb ik de eigenaar juist?

    ton shampoingle tien (niet le sien).

  1. Bezittelijke voornaamwoorden moeten overeenkomen met het geslacht en het aantal van het zelfstandig naamwoord; bijvoorbeeld, son savon wordt le sien, en sa brosse wordt la sienne.
Pronoms (Voornaamwoorden)Masculin (Mannelijk)Féminin
JeLe mien  (de mijne)La mienne (de mijne)
TuLe tien  (de jouwe)La tienne (de jouwe)
Il / ElleLe sien  (de zijne / de hare)La sienne (de zijne / de hare)
NousLe nôtre (de onze)La nôtre (de onze)
VousLe vôtre (de uwe)La vôtre (de uwe)
Ils / EllesLe leur (de hunne)La leur (de hunne)

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

1. Vous préférez ce gel douche ou ___ ?

Verkiest u deze douchegel of ___ ?

2. Vous utilisez une brosse à dents électrique ? Moi, j’utilise ___.

Gebruikt u een elektrische tandenborstel? Ik gebruik ___.

3. Excusez-moi, ce shampoing est à vous ou c’est ___ ?

Pardon, is deze shampoo van u of is het ___ ?

4. Je prends un coton-tige, et toi, tu prends ___.

Ik neem een wattenstaafje, en jij neemt ___.

Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de tweede zin door de bezittelijke nominale groep (son/sa/mes/tes/notre/votre/leurs, enz.) te vervangen door het juiste bezittelijk voornaamwoord (de mijne, de mijne, de jouwe, de jouwe, de zijne, de hare, de onze, de onze, de uwe, de uwe, de hunne, de hunne).

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. C'est mon stylo. C'est mon stylo, pas ton stylo.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    C'est mon stylo. C'est le mien, pas le tien.
    (Dit is mijn pen. Dit is de mijne, niet de jouwe.)
  2. C'est ma brosse à dents. C'est ma brosse à dents, pas sa brosse à dents.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    C'est ma brosse à dents. C'est la mienne, pas la sienne.
    (Dit is mijn tandenborstel. Dit is de mijne, niet de hare.)
  3. Voilà ton passeport. Ce n'est pas mon passeport, c'est ton passeport.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Voilà ton passeport. Ce n'est pas le mien, c'est le tien.
    (Hier is jouw paspoort. Dit is niet de mijne, het is de jouwe.)
  4. C'est son savon. Ce n'est pas ton savon, c'est son savon.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    C'est son savon. Ce n'est pas le tien, c'est le sien.
    (Dit is zijn zeep. Dit is niet de jouwe, het is de zijne.)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Marco De Faria

Master in Vreemde Talen

University of Poitiers

University_Logo

Frankrijk


Laatst bijgewerkt:

donderdag, 07/05/2026 10:31