1. Woordenschat (17)

La ferme

La ferme Show

De boerderij Show

La ferme agricole

La ferme agricole Show

De landbouwbedrijf Show

L'agriculture

L'agriculture Show

De landbouw Show

Le champ

Le champ Show

Het veld Show

Les produits locaux

Les produits locaux Show

Lokale producten Show

La montagne

La montagne Show

De berg Show

La colline

La colline Show

De heuvel Show

La forêt

La forêt Show

Het bos Show

Le silence

Le silence Show

De stilte Show

Le chalet

Le chalet Show

Het chalet Show

La campagne

La campagne Show

Het platteland Show

La vache

La vache Show

De koe Show

Le cheval

Le cheval Show

Het paard Show

Le mouton

Le mouton Show

Het schaap Show

La poule

La poule Show

De kip Show

Élever

Élever Show

Fokken / houden Show

Continuer

Continuer Show

Doorgaan Show

2. Grammatica

Belangrijk werkwoord

Attendre (wachten)

3. Oefeningen

Oefening 1: Correspondentie schrijven

Instructie: Schrijf een antwoord op het volgende bericht dat passend is voor de situatie

Email: U ontvangt een e-mail van een klein bed & breakfast op het platteland waar u een weekend wilt doorbrengen. Beantwoord deze om vragen te stellen en de reservering te bevestigen (of te weigeren).


Objet : Week-end à la campagne

Bonjour Madame, Monsieur,

Merci pour votre message. Nous avons une chambre libre dans notre chalet pour le week-end du 15 juin.

La maison est au milieu des champs, près d’une petite forêt. Nous travaillons avec une petite ferme voisine : vous pouvez voir les vaches et les moutons, et goûter nos produits locaux (fromage, confiture).

Le prix est de 80 € par nuit pour 2 personnes, petit-déjeuner inclus.

Cordialement,
Claire Martin
La Ferme des Collines


Onderwerp : Weekend op het platteland

Geachte mevrouw, meneer,

Bedankt voor uw bericht. Wij hebben een kamer vrij in ons chalet voor het weekend van 15 juni.

Het huis staat midden tussen de velden, dicht bij een klein bos. We werken samen met een kleine boerderij in de buurt: u kunt de koeien en de schapen zien en onze lokale producten proeven (kaas, jam).

De prijs is €80 per nacht voor 2 personen, ontbijt inbegrepen.

Met vriendelijke groet,
Claire Martin
La Ferme des Collines


Begrijp de tekst:

  1. Où se trouve la maison d’hôtes exactement ? Décrivez le lieu avec vos mots.

    (Waar bevindt de chambre d'hôtes zich precies? Beschrijf de plek met uw eigen woorden.)

  2. Quelles activités ou expériences sont possibles pendant le week-end, d’après l’email ?

    (Welke activiteiten of ervaringen zijn volgens de e-mail mogelijk tijdens het weekend?)

Nuttige zinnen:

  1. Je vous remercie pour votre email et…

    (Dank u voor uw e-mail en…)

  2. J’aimerais savoir si…

    (Ik zou graag willen weten of…)

  3. Je voudrais réserver la chambre pour…

    (Ik wil de kamer reserveren voor…)

Bonjour Madame Martin,

Je vous remercie pour votre email et vos informations. La description de la campagne et de la ferme me plaît beaucoup.

J’aimerais savoir s’il y a des transports pour venir depuis Paris (train ou bus). Est-ce qu’il est possible de visiter la ferme et de voir les vaches avec des enfants ?

Je voudrais réserver la chambre pour deux nuits, du 15 au 17 juin, pour deux personnes.

Cordialement,

[Votre prénom et nom]

Geachte mevrouw Martin,

Dank u voor uw e-mail en de informatie. De beschrijving van het platteland en de boerderij spreekt mij erg aan.

Ik zou graag willen weten of er vervoersmogelijkheden zijn vanaf Parijs (trein of bus). Is het mogelijk om de boerderij te bezoeken en de koeien te zien als we met kinderen komen?

Ik wil de kamer graag reserveren voor twee nachten, van 15 tot 17 juni, voor twee personen.

Met vriendelijke groet,

[Uw voornaam en achternaam]

Oefening 2: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Hier, nous ___ longtemps le bus pour aller visiter une petite ferme à la campagne.

(Gisteren hebben we ___ lang op de bus gewacht om een kleine boerderij op het platteland te bezoeken.)

2. À la ferme, je ___ quelques minutes devant le chalet avant que l’agriculteur ouvre la porte.

(Op de boerderij ___ ik een paar minuten voor het chalet gewacht voordat de boer de deur opende.)

3. Pendant la visite, les enfants ___ patiemment pour caresser la vache et le cheval.

(Tijdens de rondleiding ___ de kinderen geduldig om de koe en het paard te aaien.)

4. En fin d’après-midi, vous ___ le silence de la montagne pour enregistrer une vidéo sur les produits locaux.

(Aan het einde van de middag ___ jullie gewacht op de stilte van de berg om een video over de lokale producten op te nemen.)

Oefening 3: Gesprekskaarten

Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 4: Reageer op de situatie

Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.

1. Tu es au travail. Un collègue vient d’acheter un petit chalet à la montagne pour les week‑ends. Tu veux en savoir plus sur le lieu et la nature autour. Pose une question et dis ce que tu aimes à la montagne. (Utilise : « la montagne », « le silence », « j’aime »)

(Je bent aan het werk. Een collega heeft net een klein chalet in de bergen gekocht voor de weekenden. Je wilt meer weten over de plek en de natuur eromheen. Stel een vraag en zeg wat je leuk vindt aan de bergen. (Gebruik: « la montagne », « le silence », « j’aime »))

À la montagne, j’aime  

(À la montagne, j’aime ...)

Voorbeeld:

À la montagne, j’aime le silence et l’air frais. Je peux vraiment me reposer là‑bas.

(À la montagne, j’aime le silence et l’air frais. Je peux vraiment me reposer là‑bas.)

2. Tu passes un week‑end dans un village en Bourgogne. Tu parles avec le propriétaire du gîte de la campagne autour du village. Explique pourquoi tu aimes la campagne et ce que tu veux faire aujourd’hui. (Utilise : « la campagne », « la forêt », « se promener »)

(Je brengt een weekend door in een dorp in Bourgondië. Je praat met de eigenaar van de gîte over het platteland rond het dorp. Leg uit waarom je van het platteland houdt en wat je vandaag wilt doen. (Gebruik: « la campagne », « la forêt », « se promener »))

À la campagne, je  

(À la campagne, je ...)

Voorbeeld:

À la campagne, je me promène dans la forêt et je regarde les petits villages. C’est très calme, j’aime beaucoup.

(À la campagne, je me promène dans la forêt et je regarde les petits villages. C’est très calme, j’aime beaucoup.)

3. Tu visites une ferme avec des amis. Le fermier vous montre les animaux. Il te demande quel animal tu préfères et pourquoi. Réponds. (Utilise : « la vache », « le cheval », « le mouton » ou « la poule », et « parce que »)

(Je bezoekt een boerderij met vrienden. De boer laat jullie de dieren zien. Hij vraagt welk dier je het liefst hebt en waarom. Beantwoord. (Gebruik: « la vache », « le cheval », « le mouton » of « la poule », en « parce que »))

Moi, je préfère  

(Moi, je préfère ...)

Voorbeeld:

Moi, je préfère la vache, parce qu’elle est calme et j’aime beaucoup le fromage et le lait.

(Moi, je préfère la vache, parce qu’elle est calme et j’aime beaucoup le fromage et le lait.)

4. Tu es en vacances dans une ferme en Provence. Au marché, la vendeuse te parle des produits locaux. Dis ce que tu voudrais acheter et pourquoi. (Utilise : « les produits locaux », « frais », « la ferme »)

(Je bent op vakantie op een boerderij in de Provence. Op de markt vertelt de verkoopster je over de lokale producten. Zeg wat je zou willen kopen en waarom. (Gebruik: « les produits locaux », « frais », « la ferme »))

Je voudrais acheter  

(Je voudrais acheter ...)

Voorbeeld:

Je voudrais acheter des produits locaux de la ferme, par exemple du fromage et des œufs frais, parce que c’est plus bon et plus naturel.

(Je voudrais acheter des produits locaux de la ferme, par exemple du fromage et des œufs frais, parce que c’est meilleur et plus naturel.)

Oefening 5: Schrijfopdracht

Instructie: Schrijf in 6 à 8 regels een beschrijving van een ideaal weekend op het platteland in Frankrijk dat u zou willen hebben, met de plaats, de activiteiten en wat u graag zou eten.

Nuttige uitdrukkingen:

Je voudrais passer un week-end à… / À la campagne, j’aimerais… / On peut visiter / goûter / découvrir… / Pour moi, le week-end idéal est…

Exercice 6: Gespreksoefening

Instruction:

  1. Décrivez les activités dans les images et commentez-les. (Beschrijf de activiteiten op de afbeeldingen en geef er commentaar op.)
  2. Où avez-vous grandi ? À la campagne ou en ville ? (Waar ben je opgegroeid? Op het platteland of in de stad?)
  3. Devais-tu t'occuper des animaux ? Des animaux de ferme ou des animaux de compagnie ? (Heb je voor dieren moeten zorgen? Boerderijdieren of huisdieren?)

Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten

Voorbeeldzinnen:

J'ai grandi à la campagne.

Ik ben opgegroeid op het platteland.

Ma famille a une ferme, donc j'ai beaucoup aidé à prendre soin des porcs, des vaches et des poules.

Mijn familie heeft een boerderij, dus ik hielp veel met de verzorging van de varkens, koeien en kippen.

J'ai grandi dans une petite ville. Ma famille avait un chien. J'ai aidé à m'en occuper.

Ik ben opgegroeid in een kleine stad. Mijn familie had een hond. Ik hielp om voor hem te zorgen.

J'ai grandi à Berlin, la capitale de l'Allemagne. Nous n'avions qu'un petit appartement donc nous n'avons jamais eu d'animal de compagnie.

Ik ben opgegroeid in Berlijn, de hoofdstad van Duitsland. We hadden maar een klein appartement, dus hadden we nooit een huisdier.

Le fermier donne du maïs aux poules.

De boer voert de kippen wat maïs.

Ils cueillent des pommes dans les champs.

Ze plukken appels in de velden.

L'agriculteur cultive le champ.

De boer bewerkt het veld.

...