De futur simple: onregelmatige gevallen

Le futur simple : cas irréguliers


Le futur simple des verbes irréguliers présente des formes particulières. Exemple : 'être' devient 'serai', 'avoir' devient 'aurai'.

(De futur simple van onregelmatige werkwoorden heeft bijzondere vormen. Voorbeeld: 'être' wordt 'serai', 'avoir' wordt 'aurai'.)

Futur simple: wanneer gebruik je het?

Je gebruikt de futur simple om te zeggen wat je later zult zijn / hebben / doen.

  • planning / afspraak: Demain, je serai en déplacement.
  • voorspelling: Il fera beau ce week-end.
  • belofte / beslissing: Je ferai le nécessaire.

Let op: dit is niet hetzelfde als de futur proche (je vais + infinitif). In deze les focus je op de futur simple.

Hoe maak je de futur simple (stappenplan)

  1. Neem de stam (racine) van het werkwoord.
  2. Plak de uitgangen erachter: -ai, -as, -a, -ons, -ez, -ont.
Persoon Uitgang futur simple Snelle check
je -ai klinkt als “é”
tu -as eindigt op -s (maar vaak niet uitgesproken)
il / elle / on -a geen -s
nous -ons zoals in het Nederlands “-en” (wij…)
vous -ez zelfde uitgang als present bij veel -er werkwoorden
ils / elles -ont denk aan “ils …-ont”

De drie belangrijke onregelmatige stammen (être, avoir, faire)

Bij être, avoir en faire is vooral de stam anders. De uitgangen blijven exact hetzelfde.

Infinitief Stam futur simple Voorbeeld (je)
être ser- je serai
avoir aur- j’aurai
faire fer- je ferai

Veelgemaakte fouten (en hoe je ze vermijdt)

  • 1) Stam verwarren met de tegenwoordige tijd

    je faisraije ferai

    vous avezrezvous aurez

  • 2) Verkeerde persoon kiezen

    nous: serons (niet seront)

    ils/elles: seront (niet serons)

  • 3) Spelling van j’

    j’aurai (apostrof omdat avoir met een klinker start).

Snel zelf checken: kan ik het al?

  1. Zie je een tijdsaanduiding zoals demain, ce soir, la semaine prochaine? → waarschijnlijk futur.

  2. Is het werkwoord être/avoir/faire? → gebruik stam ser-/aur-/fer-.

  3. Kies de juiste uitgang bij het onderwerp: je -ai, tu -as, il/elle -a, nous -ons, vous -ez, ils/elles -ont.

  4. Lees hardop: klinkt het als één vloeiende vorm? (nous serons, vous aurez, ils feront).

Mini-modelzinnen (professionele context)

  • Demain, je serai en réunion toute la matinée. (Morgen ben ik de hele ochtend in vergadering.)
  • Vous aurez le rapport avant 17h. (U krijgt het rapport vóór 17u.)
  • Nous ferons le point lundi. (We maken maandag de stand van zaken op.)
  1. Werkwoordstam + uitgangen: -ai, -as, -a, -ons, -ez, -ont.
Être (zijn)Avoir (hebben)Faire (doen)
Je serai (Ik zal zijn)J'aurai (Ik zal hebben)Je ferai (Ik zal doen)
Tu seras (Jij zult zijn)Tu auras (Jij zult hebben)Tu feras (Jij zult doen)
 Il / Elle sera (Hij / Zij zal zijn)Il / Elle aura (Hij / Zij zal hebben)Il / Elle fera (Hij / Zij zal doen)
Nous serons (Wij zullen zijn)Nous aurons (Wij zullen hebben)Nous ferons (Wij zullen doen)
Vous serez (U zult zijn)Vous aurez (U zult hebben)Vous ferez (U zult doen)
Ils / Elles seront (Zij zullen zijn) Ils / Elles auront (Zij zullen hebben)Ils / Elles feront (Zij zullen doen)

 

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

1. Demain, je ____ dans un petit village pour visiter la ferme.

Morgen ____ ik in een klein dorpje om de boerderij te bezoeken.

2. Après la visite, tu ____ du temps pour acheter des produits locaux au marché.

Na het bezoek ____ je tijd hebben om lokale producten op de markt te kopen.

3. Samedi, nous ____ une promenade dans la forêt près des champs.

Zaterdag ____ we een wandeling maken in het bos bij de velden.

4. Si vous venez à la ferme, vous ____ près des vaches et des moutons.

Als jullie naar de boerderij komen, ____ jullie dichtbij de koeien en de schapen zijn.

Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Réécrivez chaque phrase au futur simple en utilisant la forme correcte du verbe indiqué (être, avoir ou faire).

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Hint Hint (être) Demain, je suis en déplacement à Lyon pour une réunion.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Demain, je serai en déplacement à Lyon pour une réunion.
    (Morgen zal ik voor een vergadering op zakenreis in Lyon zijn.)
  2. Hint Hint (avoir) Après la formation, tu as plus de confiance pour parler au téléphone.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Après la formation, tu auras plus de confiance pour parler au téléphone.
    (Na de training zul je meer zelfvertrouwen hebben om aan de telefoon te spreken.)
  3. Hint Hint (faire) Ce soir, elle fait un e-mail au client pour confirmer le rendez-vous.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Ce soir, elle fera un e-mail au client pour confirmer le rendez-vous.
    (Vanavond zal zij een e-mail aan de klant schrijven om de afspraak te bevestigen.)
  4. Hint Hint (être) Le mois prochain, nous sommes prêts pour l’examen A2.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Le mois prochain, nous serons prêts pour l’examen A2.
    (Volgende maand zullen wij klaar zijn voor het A2-examen.)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Alessia Calcagni

Talen voor communicatie in internationale ondernemingen en organisaties

Università degli Studi di Modena e Reggio Emilia

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

donderdag, 07/05/2026 15:24