Beschrijf verschillende soorten vakanties en activiteiten.
Bespreek de vervoersmiddelen die worden gebruikt om je reisbestemming te bereiken.
Ken gangbare vakantiebestemmingen in het gastland.
Woordenschat
Leer de belangrijkste woorden en werkwoorden die je voor deze les nodig hebt.
Grammatica: Vrouwelijke bijvoeglijke naamwoorden: -el, -er, -f, -eux
Vorm het vrouwelijk van een bijvoeglijk naamwoord: naturel → naturelle, cher → chère, actif → active, heureux → heureuse.
Oefeningen
Pas in de praktijk toe wat je hebt geleerd.
In het klaslokaal
Spreken
Oefen spreken met je docent!