A2.21 - Een zondagse wandeling maken
Aller se promener un dimanche
2. Grammatica
Belangrijk werkwoord
S'amuser (zich amuseren)
Belangrijk werkwoord
Monter (opstijgen)
3. Oefeningen
Oefening 1: Examenvoorbereiding
Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder
Invitation à une promenade aux lacs de Fontainebleau
Woorden om te gebruiken: activité, pique-nique, chemin, promenade, léger, prairie, paysage, chaussures, randonnée
(Uitnodiging voor een wandeling naar de meren van Fontainebleau)
Dimanche prochain, notre association d’expats propose une facile dans la forêt de Fontainebleau. Le rendez-vous est à 10 h sur le parking de la gare. Nous suivons un petit tranquille jusqu’aux lacs. Le est varié : forêt, rochers et une grande près de l’eau.
La marche dure environ deux heures. C’est une physique légère, ouverte aux familles et aux enfants. Prévoyez des de randonnée et un sac à dos avec de l’eau. Après la , nous faisons un au bord du lac, dans le calme. Si vous voulez venir, inscrivez-vous par e-mail avant vendredi soir.Aanstaande zondag organiseert onze expatvereniging een eenvoudige wandeling in het bos van Fontainebleau. De afspraak is om 10 uur op de parkeerplaats bij het station. We volgen een klein, rustig pad naar de meren. Het landschap is afwisselend: bos, rotsen en een grote weide vlak bij het water.
De wandeling duurt ongeveer twee uur. Het is een lichte fysieke activiteit, open voor gezinnen en kinderen. Neem wandelschoenen en een lichte rugzak met water mee. Na de wandeling houden we een picknick aan de oever van het meer, in alle rust. Als je wilt komen, schrijf je je per e-mail in vóór vrijdagavond.
-
Où et à quelle heure est le rendez-vous pour la promenade ?
(Waar en hoe laat is de afspraak voor de wandeling?)
-
Comment est décrit le paysage pendant la marche ?
(Hoe wordt het landschap tijdens de wandeling beschreven?)
-
Qu’est-ce qu’il faut apporter pour participer à cette sortie ?
(Wat moet je meenemen om aan deze uitstap deel te nemen?)
-
Est-ce que ce type d’activité vous plaît ? Pourquoi ou pourquoi pas ?
(Vind je dit soort activiteit leuk? Waarom wel of niet?)
Oefening 2: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. Dimanche prochain, nous ___ beaucoup pendant la randonnée près du lac.
(Volgende zondag zullen we ___ veel tijdens de wandeling bij het meer.)2. Après le déjeuner, je ___ le petit chemin qui entoure la rivière.
(Na de lunch zal ik ___ het smalle pad opgaan dat langs de rivier loopt.)3. Vous ___ en découvrant les paysages calmes de la prairie.
(Jullie ___ terwijl jullie de rustige landschappen van de weide ontdekken.)4. Demain, ils ___ jusqu’au point de vue pour profiter du paysage en toute sérénité.
(Morgen zullen zij ___ naar het uitkijkpunt om in alle rust van het landschap te genieten.)Oefening 3: Gesprekskaarten
Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Inviter un ami pour une randonnée
Julien (ami): Show Salut Camille, dimanche il fait beau, tu veux faire une petite randonnée ?
(Hoi Camille, het wordt zondag mooi weer. Wil je een korte wandeling maken?)
Camille (amie): Show Oui, super idée, on peut marcher autour du lac de Saint-Mandé, c’est calme et le paysage est très joli.
(Ja, goed idee. We kunnen rond het meer van Saint-Mandé lopen, het is rustig en het uitzicht is heel mooi.)
Julien (ami): Show Parfait, je prends mes chaussures de randonnée, on se retrouve à dix heures devant l’entrée du parc.
(Perfect, ik neem mijn wandelschoenen mee. Zullen we om tien uur bij de ingang van het park afspreken?)
Camille (amie): Show D’accord, à dix heures, comme ça on marche une heure et après on prend un café en terrasse.
(Oké, om tien uur. Dan lopen we een uur en drinken daarna een kop koffie op het terras.)
Open vragen:
1. Est-ce que tu aimes faire de la randonnée le week-end ? Pourquoi ?
Vind je het leuk om in het weekend te wandelen? Waarom?
2. Préféres-tu marcher près d’un lac, d’une rivière ou dans une prairie ? Explique.
Loop je liever langs een meer, een rivier of door een weiland? Leg uit.
Choisir une promenade familiale du dimanche
Marc (frère): Show On fait quoi dimanche avec les enfants, une promenade légère en forêt ou une vraie randonnée ?
(Wat doen we zondag met de kinderen: een korte wandeling in het bos of een echte trektocht?)
Élodie (sœur): Show La vraie randonnée, c’est trop lourd pour eux, je préfère un petit chemin plat près de la rivière, c’est plus calme.
(Een echte trektocht is te zwaar voor hen. Ik geef de voorkeur aan een klein, vlak pad langs de rivier; dat is rustiger.)
Marc (frère): Show Oui, comme ça on profite du paysage et de la sérénité, sans trop grimper.
(Ja, zo kunnen we van het landschap en de rust genieten zonder te veel te klimmen.)
Élodie (sœur): Show Parfait, je prépare un goûter et on marche une heure dans la prairie, ça reste une bonne activité physique.
(Perfect, ik maak iets te eten klaar en we lopen een uur door het weiland; dat is toch een goede lichamelijke activiteit.)
Open vragen:
1. Quand tu es fatigué après le travail, tu préfères une activité physique ou rester à la maison ? Pourquoi ?
Als je moe bent na het werk, kies je dan liever voor een fysieke activiteit of om thuis te blijven? Waarom?
2. Décris un paysage que tu trouves très beau dans ton pays ou en France.
Beschrijf een landschap dat je erg mooi vindt in jouw land of in Frankrijk.
Oefening 4: Reageer op de situatie
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
1. Tu écris un message à un collègue pour proposer une randonnée dimanche près d’un lac. Tu expliques où vous allez, l’heure du départ et pourquoi tu aimes cette activité. (Utilise : faire de la randonnée, le lac, une activité physique)
(Je schrijft een bericht aan een collega om op zondag een wandeling bij een meer voor te stellen. Je legt uit waar jullie heen gaan, hoe laat jullie vertrekken en waarom je van deze activiteit houdt. (Gebruik: faire de la randonnée, le lac, une activité physique))Dimanche, je voudrais
(Dimanche, je voudrais ...)Voorbeeld:
Dimanche, je voudrais faire de la randonnée près du lac d’Annecy. C’est une bonne activité physique et le paysage est très beau.
(Dimanche, je voudrais faire de la randonnée près du lac d’Annecy. C’est une bonne activité physique et le paysage est très beau.)2. Tu es chez des amis français. Ils te proposent une petite promenade après le déjeuner. Tu acceptes et tu demandes quel chemin vous prenez et si c’est plutôt calme. (Utilise : la promenade, le chemin, calme)
(Je bent bij Franse vrienden. Ze stellen na de lunch een korte wandeling voor. Je gaat akkoord en vraagt welke weg jullie nemen en of het er redelijk rustig is. (Gebruik: la promenade, le chemin, calme))Oui, je veux
(Oui, je veux ...)Voorbeeld:
Oui, je veux bien faire la promenade avec vous. Quel chemin vous prenez ? J’aime quand c’est calme.
(Oui, je veux bien faire la promenade avec vous. Quel chemin prenez-vous ? J’aime quand c’est calme.)3. Tu téléphones à ta sœur pour l’inviter à une randonnée dans une région célèbre en France (par exemple les Vosges, le Jura). Tu expliques que le paysage est très beau et que tu peux monter un peu, mais pas trop. (Utilise : le paysage, monter, la randonnée)
(Je belt je zus om haar uit te nodigen voor een wandeling in een in Frankrijk bekende regio (bijvoorbeeld de Vogezen, het Jura). Je legt uit dat het landschap erg mooi is en dat je een beetje kunt klimmen, maar niet te veel. (Gebruik: le paysage, monter, la randonnée))Dans cette région,
(Dans cette région, ...)Voorbeeld:
Dans cette région, le paysage est très beau, avec la forêt et les petites montagnes. On peut faire une randonnée et monter un peu, mais pas trop, c’est tranquille.
(Dans cette région, le paysage est très beau, avec la forêt et les petites montagnes. On peut faire une randonnée et monter un peu, mais pas trop, c’est tranquille.)4. Tu es dans un magasin de sport et tu parles avec le vendeur. Tu expliques que tu fais souvent des randonnées le week-end et que ton sac est trop lourd. Tu demandes des chaussures de randonnée légères. (Utilise : les chaussures de randonnée, léger, lourd)
(Je bent in een sportwinkel en spreekt met de verkoper. Je legt uit dat je in het weekend vaak wandelt en dat je rugzak te zwaar is. Je vraagt om lichte wandelschoenen. (Gebruik: les chaussures de randonnée, léger, lourd))Je cherche des chaussures
(Je cherche des chaussures ...)Voorbeeld:
Je cherche des chaussures de randonnée légères, parce que mon sac est déjà lourd. Je fais souvent des randonnées le week-end.
(Je cherche des chaussures de randonnée légères, parce que mon sac est déjà lourd. Je fais souvent des randonnées le week-end.)Oefening 5: Schrijfopdracht
Instructie: Schrijf 5 of 6 zinnen om een vriend uit te nodigen voor een zondagse wandeling, waarbij je uitlegt waar jullie heen gaan, hoe het landschap is en wat hij/zij mee moet nemen.
Nuttige uitdrukkingen:
Je t’invite à… / On se retrouve à… / N’oublie pas de prendre… / Le paysage est…
Exercice 6: Gespreksoefening
Instruction:
- Décrivez les images : les paysages, les activités et les vêtements. (Beschrijf de afbeeldingen: de uitzichten, de activiteiten en de kleding.)
- Dans quel pays voulez-vous faire de la randonnée ? (In welk land wil je gaan wandelen?)
Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten
Instructies voor de leraar
- Lees de voorbeeldzinnen hardop voor.
- Beantwoord de vragen over de afbeelding.
- Studenten kunnen deze oefening ook als geschreven tekst voor de volgende les voorbereiden.
Voorbeeldzinnen:
|
J'aime la randonnée parce que la nature est magnifique. J'apprécie les lacs de montagne et les sommets enneigés. Ik hou van wandelen omdat de natuur mooi is. Ik geniet van bergmeren en toppen met sneeuw. |
|
J'aime faire de la randonnée quand il y a un bon chemin. Ik houd van wandelen als er een goed pad is. |
|
Je n'aime pas la randonnée car les randonnées sont longues et épuisantes. Ik houd niet van wandelen omdat wandelingen lang en vermoeiend zijn. |
|
Il est très important d'avoir de l'eau, un bon sac à dos et de bons vêtements. Het is erg belangrijk om water, een goede rugzak en goede kleding mee te nemen. |
|
Vous devez avoir des chaussures de randonnée confortables et des bâtons de marche. Je moet comfortabele wandelschoenen en wandelstokken hebben. |
|
Je fais souvent de la randonnée dans des pays avec de hautes montagnes comme l’Espagne, la France ou la Suisse. Ik ga vaak wandelen in landen met hoge bergen zoals Spanje, Frankrijk of Zwitserland. |
| ... |