Woordenschat (21)
Uitkomen op (uitkomen op)
Voltooid tegenwoordige tijd (VTT)
| (ik) ben uitgekomen op |
| (jij/je) bent uitgekomen op |
| (hij/zij/ze/het) is uitgekomen op |
| (wij/we) zijn uitgekomen op |
| (jullie) zijn uitgekomen op |
| (zij/ze) zijn uitgekomen op |
Concluderen uit (concluderen uit)
Voltooid tegenwoordige tijd (VTT)
| (ik) heb geconcludeerd uit |
| (jij/je) hebt geconcludeerd uit |
| (hij/zij/ze/het) heeft geconcludeerd uit |
| (wij/we) hebben geconcludeerd uit |
| (jullie) hebben geconcludeerd uit |
| (zij/ze) hebben geconcludeerd uit |