Voornaamwoorden kunnen worden gebruikt als onderwerp, voorwerp, na een voorzetsel of bezittelijk.
| Type | Vorm | Voorbeeld | |
|---|---|---|---|
| Persoonlijk | Onderwerp | ik, jij, u, hij, zij, het, wij, jullie, u, zij | Zij ademen diep in en uit. |
| Voorwerp | mij, me, jou, je, hem, haar, het, ons, jullie, hen, hun | De arts onderzoekt haar vandaag. | |
| Na voorzetsel | met mij, aan jou, naar ons | De dokter praat met mij over mijn hart. | |
| Bezittelijk | Bijvoeglijk | mijn, jouw, uw, zijn, haar, ons, onze, jullie, hun | Jouw bloeddruk is vandaag te hoog. |
Uitzonderingen!
- Na voorzetsel nooit me/je, maar mij/jou.
Oefening 1: Meerkeuze
Instructie: Kies het juiste antwoord
1. Kunt u ____ jas even uitdoen, zodat ik uw bloeddruk kan meten?
2. De arts heeft ____ onderzocht en zei dat mijn longen schoon klinken.
3. Na de vaccinatie moet u nog tien minuten bij ____ blijven zitten.
4. Als uw rug nog pijn doet, passen we het trainingsschema voor ____ aan.
Oefening 2: Herschrijf de zinnen
Instructie: Herschrijf de zinnen met het juiste voornaamwoord (onderwerp, voorwerp, na een voorzetsel of bezittelijk). Let op: na een voorzetsel gebruik je nooit me/je, maar mij/jou.
-
Ik heb een afspraak bij de huisarts. De huisarts ziet ik om 10.30 uur.⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldIk heb een afspraak bij de huisarts. De huisarts ziet mij om 10.30 uur.
-
⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldJij kunt morgen niet komen. De manager belt jou na de lunch.
-
⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldIk werk vandaag thuis. Kun jij even met mij bellen over het project?
-
⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldWij hebben de nieuwe planning klaar. Kun je de planning vandaag naar ons mailen?
Oefening 3: Grammatica in actie
Instructie: Voer een kort triagegesprek: leg je klachten uit en beantwoord vervolgvragen.
- Waar heb je precies pijn en sinds wanneer merk je het?
- Heb je andere klachten of gebruik je medicijnen die belangrijk zijn?
- De arts onderzoekt mij vandaag.
- Kunt u mijn bloeddruk en mijn temperatuur meten?
- Ik heb pijn in mijn long en in mijn spier.
- persoonlijk voornaamwoord als onderwerp
- voornaamwoord als voorwerp en na voorzetsel
- bezittelijk voornaamwoord (mijn, jouw, zijn, haar, hun)