Gebruik van waar en wie in relatieve bijzinnen om extra informatie te geven over een zelfstandig naamwoord.
- Voorzetsel + waar als het antecedent een object is.
- Gebruik wie als het antecedent een persoon is.
| Regel | Gebruik | Vertaling |
|---|---|---|
| waar + voorzetsels | Vervanging voor die/dat Waar + met / tot → waarmee/waartoe | Het gerecht waaraan ik bezig ben, is heel gezond. Het sportapparaat waarmee ik train, is heel effectief voor mijn spieren. |
| wie | Na een voorzetsel Als meewerkend voorwerp wie + z'n / d'r | De man met wie mijn zus getrouwd is, is een kok. De man aan wie ik voedingsadvies gaf, is mijn neef. De vrouw wie d'r koolhydraten in balans moet houden, eet veel groenten. |
Uitzonderingen!
- In spreektaal kunnen waar en het voorzetsel gescheiden worden, zoals in: 'Het sportdieet waar ik aan werk, bevat veel proteïnen.'
Oefening 1: Meerkeuze
Instructie: Kies het juiste antwoord
1. Het dieet ____ ik me deze maand aan houd, bevat minder calorieën.
2. De diëtist ____ ik vragen stelde, zei dat ik meer proteïnen moet eten.
3. Het zuivelproduct ____ ik mijn ontbijt combineer, bevat veel proteïnen.
4. De collega ____ ik vaak lunch, snoept halverwege de middag.
Oefening 2: Herschrijf de zinnen
Instructie: Voeg de twee zinnen samen tot één zin met een relatieve bijzin: gebruik een voorzetsel + waar(…) bij een ding/zaak en gebruik wie bij een persoon (bijv. het programma waar ik mee werk / de collega met wie ik overleg).
-
Ik gebruik een app. Met die app tel ik mijn calorieën.⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldIk gebruik een app waarmee ik mijn calorieën tel.
-
Dit is het sportprogramma. Aan dat sportprogramma houd ik me drie keer per week.⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldDit is het sportprogramma waaraan ik me drie keer per week houd.
-
Ik heb een afspraak met de diëtist. Met de diëtist bespreek ik mijn doelen.⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldIk heb een afspraak met de diëtist met wie ik mijn doelen bespreek.
-
De vrouw is mijn buurvrouw. Voor haar kook ik soms extra soep.⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldDe vrouw voor wie ik soms extra soep kook, is mijn buurvrouw.
Oefening 3: Grammatica in actie
Instructie: Bespreek samen je weekmenu en leg uit waarom je keuzes maakt.
- Welke producten kies je voor meer proteïne en waarom?
- Met wie bespreek je je dieetplannen en wat vertel je die persoon? (bijvoorbeeld je partner, collega)
- Het dieet waar ik aan werk houdt mijn gewicht in balans.
- Zuivelproducten waarmee ik begin bevatten veel proteïne.
- De collega met wie ik lunch snoept halverwege de middag.
- waar + voorzetsel (waaraan, waarmee, waarover)
- voorzetsel + wie (met wie, aan wie)
- wie z'n / d'r