Woordenschat (21)
Spreken (spreken)
Voltooid tegenwoordige tijd (VTT)
| (ik) heb gesproken |
| (jij/je) hebt gesproken |
| (hij/zij/ze/het) heeft gesproken |
| (wij/we) hebben gesproken |
| (jullie) hebben gesproken |
| (zij/ze) hebben gesproken |
Opzeggen (opzeggen)
Voltooid tegenwoordige tijd (VTT)
| (ik) heb opgezegd |
| (jij/je) hebt opgezegd |
| (hij/zij/ze/het) heeft opgezegd |
| (wij/we) hebben opgezegd |
| (jullie) hebben opgezegd |
| (zij/ze) hebben opgezegd |
Vergelijken (vergelijken)
Voltooid tegenwoordige tijd (VTT)
| (ik) heb vergeleken |
| (jij/je) hebt vergeleken |
| (hij/zij/ze/het) heeft vergeleken |
| (wij/we) hebben vergeleken |
| (jullie) hebben vergeleken |
| (zij/ze) hebben vergeleken |