Woordenschat (17)
Zeggen (zeggen)
Voltooid tegenwoordige tijd (VTT)
| (ik) heb gezegd |
| (jij/je) hebt gezegd |
| (hij/zij/ze/het) heeft gezegd |
| (wij/we) hebben gezegd |
| (jullie) hebben gezegd |
| (zij/ze) hebben gezegd |
Waken over (waken over)
Voltooid tegenwoordige tijd (VTT)
| (ik) heb gewaakt over |
| (jij/je) hebt gewaakt over |
| (hij/zij/ze/het) heeft gewaakt over |
| (wij/we) hebben gewaakt over |
| (jullie) hebben gewaakt over |
| (zij/ze) hebben gewaakt over |
Zich ontfermen over (zich ontfermen over)
Voltooid tegenwoordige tijd (VTT)
| (ik) heb me ontfermd over |
| (jij/je) hebt je ontfermd over |
| (hij/zij/ze/het) heeft zich ontfermd over |
| (wij/we) hebben ons ontfermd over |
| (jullie) hebben je ontfermd over |
| (zij/ze) hebben zich ontfermd over |