Zelfstandige naamwoorden krijgen in het meervoud meestal -s, -en, -eren of -’s, afhankelijk van de uitgang.
| Uitgang | Enkelvoud → Meervoud |
| -ier → -iers | bankier → bankiers |
| -eur → -eurs | chauffeur → chauffeurs |
| -ster → -sters | verkoopster → verkoopsters |
| -e → -es | docente → docentes |
| -heid → -heden | mogelijkheid → mogelijkheden |
| Zelfstandig naamwoord → -eren | kind → kinderen |
| -a → -a's | collega → collega’s |
Oefening 1: Meerkeuze
Instructie: Kies het juiste antwoord
1. Voor de langeafstandreis vergelijken we verschillende ____ om via Schiphol naar de waddeneilanden te reizen.
2. In het gangpad van het vliegtuig liepen ook ____ met hun ouders naar hun stoelen.
3. Op kantoor overleggen mijn ____ over de reis: wie boekt de trein en wie reserveert het hotel?
4. Op de luchthaven stonden de ____ al klaar om ons naar het hotel te brengen.
Oefening 2: Herschrijf de zinnen
Instructie: Herschrijf de zin in het meervoud: maak van het onderwerp één persoon/één ding meerdere personen/dingen en pas de rest van de zin aan.
-
De bankier helpt de reiziger met de wisselkoers op de luchthaven.⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldDe bankiers helpen de reizigers met de wisselkoersen op de luchthaven.
-
De chauffeur rijdt elke ochtend een lange route naar België.⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldDe chauffeurs rijden elke ochtend lange routes naar België.
-
De verkoopster werkt in een winkel op het vliegveld.⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldDe verkoopsters werken in winkels op het vliegveld.
-
De docente geeft les over cultuur aan de groep.⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldDe docentes geven les over cultuur aan de groepen.
Oefening 3: Grammatica in actie
Instructie: Bespreek de route, het vervoer en mogelijke alternatieven en kies samen.
- Welke bestemmingen kiezen jullie en welke tempels of waddeneilanden bezoeken jullie?
- Welke vervoermiddelen gebruiken jullie, en waar stappen jullie op en af? Waarom?','Wat zijn de belangrijkste mogelijkheden en risico’s onderweg, zoals omleiden of schuilen?','Welke herinneringen verwachten jullie en hebben jullie heimwee na terugkeer naar Nederland?
- De reis plannen naar twee waddeneilanden en een tempel.
- Op de hoogte zijn van omleidingen en mogelijkheden onderweg.
- Schuilen voor stormen op het gangpad van de veerboot.
- meervoud op -s (chauffeurs, bankiers, verkoopsters, docentes)
- meervoud op -heden (mogelijkheden)
- meervoud met -’s (collega’s)