Indirecte rede: verleden tijd

Indirecte rede: verleden tijd


In de indirecte rede staat de bijzin meestal in de verleden tijd als het werkwoord in de hoofdzin in de verleden tijd staat.

Wat is indirecte rede (en waarom verandert de tijd?)

In de indirecte rede vertel je in je eigen woorden wat iemand zei of vroeg.

  • Je gebruikt vaak een werkwoord als: zeggen, vragen, vertellen, uitleggen, aangeven, melden.
  • Daarna volgt meestal een bijzin. In een bijzin staat het werkwoord achteraan.
  • Omdat je terugkijkt op wat er gezegd werd, schuift de werkwoordstijd vaak één stap terug.

Stap-voor-stap: zo zet je directe rede om

  1. Kies het ‘zeg-/vraag-werkwoord’ in de verleden tijd.

    Hij zei… / Zij vroeg… / De manager gaf aan…

  2. Kies het juiste verbindingswoord (zie tabel hieronder).

  3. Zet de zin in bijzinvolgorde: het (hulp)werkwoord komt aan het eind.

  4. Pas de tijd aan: meestal één stap terug.

Welke verbindingswoorden gebruik je?

Directe rede Indirecte rede Voorbeeld
Mededeling dat

Hij zei dat de planning krap was.

W-vraag (waarom/hoe/wanneer/wat/wie…) hetzelfde vraagwoord

Zij vroeg waarom de kosten hoger waren.

Ja/nee-vraag of

Hij vroeg of ik het rapport al had verstuurd.

Let op: Hij vroeg dat… is fout bij een ja/nee-vraag. Gebruik dan of.

Tijd schuift terug: handige ‘terugschakel-tabel’

In directe rede In indirecte rede (na: zei/vroeg…) Mini-voorbeeld
tegenwoordige tijd verleden tijd

“Ik werk thuis.” → Hij zei dat hij thuis werkte.

verleden tijd voltooid verleden tijd

“Ik belde gisteren.” → Hij zei dat hij gisteren had gebeld.

zal / zullen zou / zouden

“Het zal lukken.” → Zij zei dat het zou lukken.

Werkwoord achteraan: check de bijzinvolgorde

  • 1 werkwoord: helemaal achteraan.

    Hij zei dat de afdeling groeide.

  • 2 werkwoorden: allebei achteraan (vaak: voltooid verleden tijd).

    Hij zei dat de overstroming veel schade had veroorzaakt.

  • Modaal werkwoord: modaal + infinitief achteraan.

    Zij vroeg of ik de presentatie morgen kon voorbereiden.

Tijdwoorden en verwijzingen: kleine woorden die vaak mee veranderen

Als je vanuit een later moment terugkijkt, veranderen verwijzingen vaak mee:

Direct Indirect (vaak) Voorbeeld
morgen de volgende dag

“Morgen start ik.” → Hij zei dat hij de volgende dag zou starten.

gisteren de dag ervoor

“Gisteren ging het mis.” → Zij zei dat het de dag ervoor mis was gegaan.

hier daar

“Het is hier druk.” → Hij zei dat het daar druk was.

nu toen / op dat moment

“Nu heb ik tijd.” → Zij zei dat ze toen tijd had.

Tip: deze woorden veranderen alleen als het perspectief echt verschuift. Soms kan morgen gewoon morgen blijven (als het nog steeds morgen is).

Snelle zelfcheck (voordat je je antwoord inlevert)

  • Vraag of mededeling? → dat / vraagwoord / of
  • Hoofdzin in verleden tijd? → tijd in de bijzin één stap terug
  • Bijzin? → werkwoord(en) achteraan
  • Tijdwoord klopt nog? → morgen/gisteren/nu/hier eventueel aanpassen
  1. In de indirecte rede worden verschillende verbindingswoorden gebruikt, zoals dat, waarom, hoe, of.
  2. In de indirecte rede verandert de werkwoordstijd: een verleden tijd in de directe rede wordt verleden voltooide tijd, een tegenwoordige tijd wordt verleden tijd, en zal wordt zou.
Type zinDirecte rede Indirecte rede 
normale zinDe overstroming veroorzaakte veel schade.Hij zei dat de overstroming veel schade had veroorzaakt.
vragende zinWaarom zette je je in voor het milieu?Hij vroeg waarom ze zich voor het milieu had ingezet.
voorwaardelijke zinAls je je inzet, kan het helpen.Ze zei dat als je je inzette, het zou kunnen helpen.

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

1. De wethouder zei dat de vervuiling in onze wijk de afgelopen jaren ____ toegenomen.


2. Mijn collega vroeg waarom de gemeente de vergunningen voor die fabriek ____ verlengd.


3. De medewerker van de gemeente zei dat als we beter recycleerden, we minder restafval ____ hebben.


4. De huisarts vroeg of ik me aan de adviezen over luchtkwaliteit ____ gehouden.


Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Zet de zinnen om van directe rede naar indirecte rede: begin met het aangegeven werkwoord (bijv. zei/vroeg) en gebruik het juiste voegwoord (dat/waarom/hoe/of); pas de tijden aan (tegenwoordige tijd → verleden, verleden → voltooid verleden, zal → zou).

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

Toon/verberg hints
  1. Hint Hint (Hij zei) "Ik lever het rapport morgen in."
    ⇒ ____________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Hij zei dat hij het rapport de volgende dag zou inleveren.
  2. Hint Hint (De teamleider vroeg) "Waarom heb je je ziek gemeld?"
    ⇒ ____________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    De teamleider vroeg waarom ik me ziek had gemeld.
  3. Hint Hint (Ze zei) "De storing veroorzaakte gisteren veel problemen."
    ⇒ ____________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Ze zei dat de storing de dag ervoor veel problemen had veroorzaakt.
  4. Hint Hint (De collega zei) "Als je de handleiding leest, begrijp je het sneller."
    ⇒ ____________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    De collega zei dat als ik de handleiding las, ik het sneller zou begrijpen.

Oefening 3: Meerkeuze

Instructie: Kies de correcte indirecte rede in de verleden tijd.

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

1.
Fout: bij een hoofdzin in de verleden tijd moet de bijzin ook naar verleden tijd; 'ingaat' blijft onjuist in de tegenwoordige tijd.
2.
Fout: voor een ja/nee-vraag gebruik je 'of' in de indirecte rede; 'dat' is hier onjuist.

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Yoni De Ketelaere

Bachelor in International Business Management

HOGENT

University_Logo

België


Laatst bijgewerkt:

dinsdag, 23/06/2026 22:34