Het bijwoord er wordt op verschillende manieren gebruikt: voor onbepaalde onderwerpen, voorzetsels, telwoorden en locaties.

Wanneer gebruik je er? (de 3 hoofdrollen)

Er is een klein woord met meerdere functies. Denk aan deze drie vragen:

  • 1) Waar? (plaats/verwijzing) → Ik heb er gewerkt.
  • 2) Bestaat er / zijn er? (voorlopig onderwerp) → Er zijn twee soorten antibiotica.
  • 3) Hoeveel / waarvan? (hoeveelheid/verwijzing) → Ik neem er twee.

In gesprekken (bijv. in de apotheek) voorkomt er herhaling en maakt het je zinnen natuurlijk.

1) Er als plaatsvervanger (zonder herhaling)

Je gebruikt er als je niet opnieuw een plek, zaak of situatie wilt noemen.

  • Zie je die apotheek? Ik heb er gewerkt. (= in die apotheek)
  • Heb je dat vaccin gehad? Ja, ik heb er veel last van gehad. (= van dat vaccin)

Let op: vaak verwijst er naar iets dat net genoemd is of voor jullie allebei duidelijk is.

2) Er als voorlopig onderwerp: Er is / Er zijn

Gebruik er als je zegt dat iets bestaat, aanwezig is of gebeurt.

Patroon Wanneer? Voorbeeld
Er is + enkelvoud 1 ding/zaak Er is vandaag een levering.
Er zijn + meervoud meerdere dingen Er zijn twee soorten antibiotica.
  • Niet: Zijn vandaag twee soorten antibiotica op voorraad.
  • Wel: Er zijn vandaag twee soorten antibiotica op voorraad.

Tip: zet informatie over plaats/tijd gerust ertussen: Er zijn in deze wijk veel mensen met hooikoorts.

3) Er bij telwoorden: er + aantal

Gebruik er als je een aantal noemt en het zelfstandig naamwoord niet herhaalt.

  • Hoeveel tabletten neem je per dag? Ik neem er twee.
  • Heeft u nog pleisters? Ja, ik heb er drie.

Controle: kun je er ook twee (tabletten) van maken? Dan past er meestal.

4) Er + voorzetsel: erop, erin, ermee, ervan

Bij een vaste combinatie met een voorzetsel gebruik je vaak er + voorzetsel om te verwijzen naar iets dat al bekend is.

Werkwoord + voorzetsel Vervanging Voorbeeld
wachten op + iets erop Waar is het recept? Ik wacht erop.
last hebben van + iets ervan Ik heb ervan veel last gehad.
praten over + iets erover We kunnen erover praten.
beginnen met + iets ermee Ik begin ermee na het eten.

Spellingregel: staat er direct voor het voorzetsel? Dan schrijf je het aan elkaar:

  • er + operop (niet: er op)
  • er + inerin
  • er + vanervan

5) Er met worden: onpersoonlijk/passief

Je gebruikt er ook in passieve zinnen als het onderwerp niet belangrijk is of onbekend.

  • Er wordt met medicijnen behandeld. (= door iemand; wie precies is niet belangrijk)
  • Er wordt vandaag extra gecontroleerd.

Snelle check: kun je er ook men bij denken? Dan is er vaak logisch.

Zelfcheck: kies de juiste functie in 10 seconden

  1. Gaat het om bestaan/aanwezig zijn? → Er is / Er zijn
  2. Gaat het om een aantal? → er + telwoord (er twee)
  3. Staat er een voorzetsel bij het werkwoord? → er + voorzetsel (erop, ervan, erover…)
  4. Wil je niet herhalen (plek/zaak/ervaring)? → er als plaatsvervanger
 GebruikVoorbeeld
Erals plaatsvervangerZie je die apotheek? ik heb er gewerkt.
als een onbepaald onderwerpOf ik de apotheker ken? Ja, ik heb er mee op school gezeten.
als voorlopig onderwerpEr zijn veel medicijnen op de markt.
voor locatie of ervaringHeb je al eens een vaccin laten zetten? Ja, ik heb er veel last van gehad.
+ voorzetselWaar is het doktersvoorschrift? Ik zit erop.
voor telwoorden Hoeveel vitaminen neem jij? Ik neem er twee.
+ wordenEr wordt met medicijnen behandeld.

Uitzonderingen!

  1. Als er vlak voor het voorzetsel staat, schrijf je er aan het voorzetsel (bijvoorbeeld erop, erover, erin, erbij, enz.)

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. ____ zijn vandaag twee soorten antibiotica op voorraad.


2. Ik heb ____ vorige winter veel last van gehad toen ik verkouden was.


3. U moet ____ twee per dag innemen, bij voorkeur na het eten.


4. Waar is het doktersvoorschrift? Ik zit ____ te wachten.


Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen gebruikmakend van het bijwoord 'er' (er, erop/erin/ermee, enz.) zodat de zinnen natuurlijk klinken en geen herhaling hebben.

Toon/verberg hints
  1. Zie je die apotheek op de hoek? Ik heb in die apotheek gewerkt.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Zie je die apotheek op de hoek? Ik heb er gewerkt.
  2. Hint Hint (ermee) Of ik de huisarts ken? Ja, ik heb met de huisarts op school gezeten.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Of ik de huisarts ken? Ja, ik heb er mee op school gezeten.
  3. In deze wijk zijn veel mensen met hooikoorts.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Er zijn in deze wijk veel mensen met hooikoorts.
  4. Heb je al eens een griepprik gehaald? Ja, ik heb veel last gehad van de griepprik.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Heb je al eens een griepprik gehaald? Ja, ik heb er veel last van gehad.

Oefening 3: Grammatica in actie

Instructie: Voer een kort gesprek: leg je klachten uit en vraag om gebruiksadvies.

Situatie
Je bent in de apotheek en bespreekt klachten en het doktersvoorschrift met de apotheker.

Bespreek
  • Welke klachten heb je en sinds wanneer heb je die?
  • Heb je al iets gebruikt tegen de klachten en hoe voelde je je daarna? (gebruik er)

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • Het doktersvoorschrift
  • antibiotica / vaccin
  • Ik heb er last van gehad (ervaring) - Ik neem er twee per dag

Gebruik in gesprek
  • Er als voorlopig onderwerp (Er is/Er zijn)
  • Er + voorzetsel (erin, erop, erbij)
  • Er voor telwoorden (Ik neem er twee)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Yoni De Ketelaere

Bachelor in International Business Management

HOGENT

University_Logo

België


Laatst bijgewerkt:

donderdag, 23/04/2026 07:52